BWBR0014168
Geldig vanaf 2022-10-13
Artikel 101
Mijnbouwwet
1. Indien een afdracht als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aan de staat of een vooruitbetaling op een afdracht als bedoeld in artikel 98, eerste lid, op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt bij die latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die voor de betrokkene of voor de staat uit die latere vaststelling voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht.
2. Aan de betrokkene wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht over het bedrag waarvoor overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0004770/artikel/25" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 25 van de Invorderingswet 1990</a>uitstel van betaling is verleend. De rente wordt berekend over het tijdvak waarvoor uitstel is verleend.
3. Het percentage van de rente, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is gelijk aan het percentage van de belastingrente, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30hb" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen</a>.
4. Een rente, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is aan de staat verschuldigd met ingang van de dag na die waarop de vaststelling aan de betrokkene bekend is gemaakt. Artikel 100is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betaling en de invordering van deze rente.
2. Aan de betrokkene wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht over het bedrag waarvoor overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0004770/artikel/25" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 25 van de Invorderingswet 1990</a>uitstel van betaling is verleend. De rente wordt berekend over het tijdvak waarvoor uitstel is verleend.
3. Het percentage van de rente, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is gelijk aan het percentage van de belastingrente, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30hb" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen</a>.
4. Een rente, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is aan de staat verschuldigd met ingang van de dag na die waarop de vaststelling aan de betrokkene bekend is gemaakt. Artikel 100is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betaling en de invordering van deze rente.