BWBR0007477
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 78
Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
1. De bewindvoerders dienen, de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, een verzoek tot faillietverklaring in, indien blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft en het met de verleende machtiging te bereiken doel is verwezenlijkt of niet meer kan worden verwezenlijkt. De Pensioen- & Verzekeringskamer dient een verzoek tot faillietverklaring in indien geen machtiging werd verleend en geen redelijk vooruitzicht meer bestaat dat het met een machtiging te bereiken doel alsnog kan worden verwezenlijkt.
2. Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van een verzekeraar met zetel buiten Nederland worden uitsluitend de activa en passiva in aanmerking genomen die moeten worden gerekend tot het vanuit zijn bijkantoren in Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf.
3. De bewindvoerders onderscheidenlijk de Pensioen- & Verzekeringskamer kunnen een verzoek als bedoeld in de eerste volzin onderscheidenlijk de tweede volzin van het eerste lid zonder tussenkomst van een procureur indienen. De faillietverklaring wordt uitgesproken ongeacht of de verzekeraar verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het bepaalde in de eerste titel en in <a href="/wet/BWBR0001860/artikel/284" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 284 van de Faillissementswet</a>is overigens van toepassing.
4. De noodregeling en de machtiging houden van rechtswege op van kracht te zijn ingeval de verzekeraar in staat van faillissement wordt verklaard. Alsdan, zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen vier weken na de beëindiging van de noodregeling, gelden de volgende bepalingen:
a. het tijdstip waarop de termijnen, in de artikelen 43 en 45 van de Faillissementswet vermeld, aanvangen, wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de beschikking houdende machtiging uitvoerbaar is geworden;
b. een beroep op verrekening kan in afwijking van artikel 53 van de Faillissementswet slechts worden gedaan indien de vordering en de schuldplichtigheid beide zijn ontstaan voor het tijdstip waarop de beschikking, houdende machtiging, uitvoerbaar is geworden, of voortvloeien uit een handeling voor dat tijdstip met de gefailleerde verricht;
c. handelingen, ingevolge artikel 70 door of namens de bewindvoerders verricht gedurende de tijd dat de machtiging van kracht was, worden beschouwd als handelingen van de curator, terwijl boedelschulden, gedurende die tijd ontstaan, ook in het faillissement als boedelschulden zullen gelden;
d. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de verzekeraar die in strijd met artikel 70, eerste en zesde lid, zijn aangegaan gedurende de tijd dat de machtiging van kracht was, dan voor zover deze daardoor is gebaat;
e. vorderingen uit overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering kunnen in afwijking van artikel 110, eerste lid, van de Faillissementswet worden ingediend door overlegging van de polis of een afschrift daarvan, zonder dat de waarde van de vordering behoeft te worden vermeld. Voor zover de curator de vordering erkent, stelt hij de omvang daarvan vast;
e. overigens is, voor zover niet reeds ingevolge artikel 72a tot volledige uitvoering gekomen, het bepaalde in titel I van de Faillissementswet van toepassing.
2. Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van een verzekeraar met zetel buiten Nederland worden uitsluitend de activa en passiva in aanmerking genomen die moeten worden gerekend tot het vanuit zijn bijkantoren in Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf.
3. De bewindvoerders onderscheidenlijk de Pensioen- & Verzekeringskamer kunnen een verzoek als bedoeld in de eerste volzin onderscheidenlijk de tweede volzin van het eerste lid zonder tussenkomst van een procureur indienen. De faillietverklaring wordt uitgesproken ongeacht of de verzekeraar verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het bepaalde in de eerste titel en in <a href="/wet/BWBR0001860/artikel/284" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 284 van de Faillissementswet</a>is overigens van toepassing.
4. De noodregeling en de machtiging houden van rechtswege op van kracht te zijn ingeval de verzekeraar in staat van faillissement wordt verklaard. Alsdan, zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen vier weken na de beëindiging van de noodregeling, gelden de volgende bepalingen:
a. het tijdstip waarop de termijnen, in de artikelen 43 en 45 van de Faillissementswet vermeld, aanvangen, wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de beschikking houdende machtiging uitvoerbaar is geworden;
b. een beroep op verrekening kan in afwijking van artikel 53 van de Faillissementswet slechts worden gedaan indien de vordering en de schuldplichtigheid beide zijn ontstaan voor het tijdstip waarop de beschikking, houdende machtiging, uitvoerbaar is geworden, of voortvloeien uit een handeling voor dat tijdstip met de gefailleerde verricht;
c. handelingen, ingevolge artikel 70 door of namens de bewindvoerders verricht gedurende de tijd dat de machtiging van kracht was, worden beschouwd als handelingen van de curator, terwijl boedelschulden, gedurende die tijd ontstaan, ook in het faillissement als boedelschulden zullen gelden;
d. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de verzekeraar die in strijd met artikel 70, eerste en zesde lid, zijn aangegaan gedurende de tijd dat de machtiging van kracht was, dan voor zover deze daardoor is gebaat;
e. vorderingen uit overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering kunnen in afwijking van artikel 110, eerste lid, van de Faillissementswet worden ingediend door overlegging van de polis of een afschrift daarvan, zonder dat de waarde van de vordering behoeft te worden vermeld. Voor zover de curator de vordering erkent, stelt hij de omvang daarvan vast;
e. overigens is, voor zover niet reeds ingevolge artikel 72a tot volledige uitvoering gekomen, het bepaalde in titel I van de Faillissementswet van toepassing.