BWBR0004046
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 56
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
1. Indien het recht op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d van de nieuwe Werkloosheidswetgeheel of gedeeltelijk is geëindigd, en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, zonder dat een recht op uitkering als bedoeld in artikel 15 van die wetis ontstaan, herleeft het recht op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering met overeenkomstige toepassing van artikel 8 van die wet en de op grond van artikel 21, tweede lid, van die wetgestelde regels.
2. Telkens nadat het recht op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering na een gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van het eerste lid, eindigt het recht op die uitkering zoveel later dan de in artikel 53, derde of vierde lid, dan wel in artikel 54, eerste lid, genoemde periode als de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op die uitkering heeft geduurd.
2. Telkens nadat het recht op aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering na een gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van het eerste lid, eindigt het recht op die uitkering zoveel later dan de in artikel 53, derde of vierde lid, dan wel in artikel 54, eerste lid, genoemde periode als de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op die uitkering heeft geduurd.