BWBR0004046
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 5
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
1. De Wet Werkloosheidsvoorzieningen de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing ten aanzien van de persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt, recht had op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening, zolang geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswetis ontstaan.
2. Met de in het eerste lid bedoelde persoon wordt gelijkgesteld, de persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt, geen recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorzieninghad, omdat:
a. het recht op uitkering op grond van die wet was onderbroken door werkaanvaarding of door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, of artikel 14, eerste lid, van die wet;
b. na het intreden van zijn werkloosheid zijn werkgever tijdens het voortbestaan van de dienstbetrekking het loon onverminderd doorbetaalde;
doch die, zodra de omstandigheid, bedoeld in onderdeel aof b, niet meer op hem van toepassing is vervolgens wel recht op uitkering op grond van die wet heeft.
3. In afwijking van het eerste en het tweede lid zijn de Wet Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende bepalingen niet meer op de in die leden bedoelde personen van toepassing, indien in de periode gelegen twee jaar na de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking is getreden geen recht op uitkering bestaat, omdat dat recht is onderbroken door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel e tot en met n, of artikel 14, eerste lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening.
4. De persoon die in de periode gelegen twee jaar na de dag, bedoeld in het derde lid, geen recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorzieningheeft, omdat dat recht is onderbroken door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a tot en met d bis, van die wet, heeft na afloop van die onderbreking recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
5. Het eerste en tweede lid gelden niet, indien ten aanzien van de in die leden bedoelde persoon tevens artikel 4van toepassing is.
2. Met de in het eerste lid bedoelde persoon wordt gelijkgesteld, de persoon die op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking treedt, geen recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorzieninghad, omdat:
a. het recht op uitkering op grond van die wet was onderbroken door werkaanvaarding of door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, of artikel 14, eerste lid, van die wet;
b. na het intreden van zijn werkloosheid zijn werkgever tijdens het voortbestaan van de dienstbetrekking het loon onverminderd doorbetaalde;
doch die, zodra de omstandigheid, bedoeld in onderdeel aof b, niet meer op hem van toepassing is vervolgens wel recht op uitkering op grond van die wet heeft.
3. In afwijking van het eerste en het tweede lid zijn de Wet Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende bepalingen niet meer op de in die leden bedoelde personen van toepassing, indien in de periode gelegen twee jaar na de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswetin werking is getreden geen recht op uitkering bestaat, omdat dat recht is onderbroken door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel e tot en met n, of artikel 14, eerste lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening.
4. De persoon die in de periode gelegen twee jaar na de dag, bedoeld in het derde lid, geen recht op uitkering op grond van de Wet Werkloosheidsvoorzieningheeft, omdat dat recht is onderbroken door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a tot en met d bis, van die wet, heeft na afloop van die onderbreking recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
5. Het eerste en tweede lid gelden niet, indien ten aanzien van de in die leden bedoelde persoon tevens artikel 4van toepassing is.