BWBR0004046
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 37
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
1. Vanaf de dag, waarop de nieuwe <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>in werking treedt, vindt geen vergoeding aan de gemeente plaats van de kosten, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002470/artikel/40" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 40, onderdeel e en f, van de Wet Werkloosheidsvoorziening</a>.
2. Het Rijk verstrekt gedurende vier perioden van twaalf maanden vanaf de dag waarop de nieuwe <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>in werking treedt, aan de gemeente een uitkering, die is gebaseerd op de kosten die over het dienstjaar 1984 op grond van <a href="/wet/BWBR0002470/artikel/40" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 40, onderdeel e en f, van de Wet Werkloosheidsvoorziening</a>aan de gemeente zijn vergoed.
3. De uitkering, bedoeld in het tweede lid, bedraagt gedurende de eerste tot en met de vierde periode van 12 maanden vanaf de dag waarop de nieuwe <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>in werking treedt, onderscheidenlijk 80%, 60%, 40% en 20% van de in het tweede lid bedoelde kosten.
4. Vanaf 1 januari 1991 verstrekt het Rijk aan de gemeente een uitkering van f 1050,- per toegewezen aanvraag.
5. Onze Minister is bevoegd de verstrekte uitkering, bedoeld in het tweede en het vierde lid, gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen, indien het gemeentebestuur niet of in onvoldoende mate voldoet aan zijn verplichtingen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002470/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26, eerste lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening</a>.
6. Onze Minister is bevoegd met betrekking tot de wijze van verstrekking van de in dit artikel bedoelde uitkeringen nadere regels te stellen.
2. Het Rijk verstrekt gedurende vier perioden van twaalf maanden vanaf de dag waarop de nieuwe <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>in werking treedt, aan de gemeente een uitkering, die is gebaseerd op de kosten die over het dienstjaar 1984 op grond van <a href="/wet/BWBR0002470/artikel/40" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 40, onderdeel e en f, van de Wet Werkloosheidsvoorziening</a>aan de gemeente zijn vergoed.
3. De uitkering, bedoeld in het tweede lid, bedraagt gedurende de eerste tot en met de vierde periode van 12 maanden vanaf de dag waarop de nieuwe <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>in werking treedt, onderscheidenlijk 80%, 60%, 40% en 20% van de in het tweede lid bedoelde kosten.
4. Vanaf 1 januari 1991 verstrekt het Rijk aan de gemeente een uitkering van f 1050,- per toegewezen aanvraag.
5. Onze Minister is bevoegd de verstrekte uitkering, bedoeld in het tweede en het vierde lid, gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen, indien het gemeentebestuur niet of in onvoldoende mate voldoet aan zijn verplichtingen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002470/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26, eerste lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening</a>.
6. Onze Minister is bevoegd met betrekking tot de wijze van verstrekking van de in dit artikel bedoelde uitkeringen nadere regels te stellen.