BWBV0002504
Geldig vanaf 11-12-2002
Artikel 27
Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding
(1). Indien er gevaar voor zinken bestaat, dient het schip indien mogelijk zo ver buiten het vaarwater te worden gebracht, dat de scheepvaart niet wordt belemmerd. Na een aanvaring is de gezagvoerder van een daarbij betrokken, drijvend gebleven schip daartoe ook verplicht.
(2). Indien de voor de scheepvaart vereiste toestand van de waterweg of de veiligheid en het vlotte verloop van het verkeer door in de waterweg stuurloos ronddrijvende, vastgevaren, gestrande of gezonken schepen, drijvende inrichtingen, alsmede schepen of voorwerpen, zoals bedoeld in Voorschrift 24, letter g, van de Internationale Bepalingen, of door andere drijvende of aan de grond geraakte voorwerpen in gevaar worden gebracht, dient de verkeerscentrale aan de Knock onverwijld te worden ingelicht.
(3). De plaats van een gezonken schip dient door de gezagvoerder daarvan onverwijld voorlopig te worden gemarkeerd. Na een aanvaring is de gezagvoerder van een daarbij betrokken, drijvend gebleven schip daartoe ook verplicht. Hij mag de reis pas voortzetten na toestemming van de krachtens het bepaalde in artikel 34, tweede lid, van het Eems-Dollardverdrag bevoegde autoriteiten.
(4). Bij branden en andere de veiligheid en het vlotte verloop van het verkeer in gevaar brengende voorvallen op schepen en drijvende inrichtingen, alsmede op schepen en voorwerpen, zoals bedoeld in Voorschrift 24, letter g, van de Internationale Bepalingen, dient de radarcentrale aan de Knock daarvan onverwijld in kennis te worden gesteld.
(5). Op schepen die het in artikel 13, tweede lid, bedoelde „blijf weg”-sein waarnemen, dienen onverwijld alle vereiste maatregelen tot afwending van het dreigende gevaar te worden getroffen, in het bijzonder:
1. alle naar buiten leidende en niet tot instandhouding van de scheepshuishouding noodzakelijke openingen te worden gesloten;
2. alle niet voor de waarborging van de veiligheid van schip, bemanning en lading noodzakelijke hulpmachines te worden stopgezet;
3. onbeschermde open vuren te worden geblust, in het bijzonder het roken te worden gestaakt, alsmede
4. toestellen met gloeiende of vonken verspreidende onderdelen te worden stilgezet.
(2). Indien de voor de scheepvaart vereiste toestand van de waterweg of de veiligheid en het vlotte verloop van het verkeer door in de waterweg stuurloos ronddrijvende, vastgevaren, gestrande of gezonken schepen, drijvende inrichtingen, alsmede schepen of voorwerpen, zoals bedoeld in Voorschrift 24, letter g, van de Internationale Bepalingen, of door andere drijvende of aan de grond geraakte voorwerpen in gevaar worden gebracht, dient de verkeerscentrale aan de Knock onverwijld te worden ingelicht.
(3). De plaats van een gezonken schip dient door de gezagvoerder daarvan onverwijld voorlopig te worden gemarkeerd. Na een aanvaring is de gezagvoerder van een daarbij betrokken, drijvend gebleven schip daartoe ook verplicht. Hij mag de reis pas voortzetten na toestemming van de krachtens het bepaalde in artikel 34, tweede lid, van het Eems-Dollardverdrag bevoegde autoriteiten.
(4). Bij branden en andere de veiligheid en het vlotte verloop van het verkeer in gevaar brengende voorvallen op schepen en drijvende inrichtingen, alsmede op schepen en voorwerpen, zoals bedoeld in Voorschrift 24, letter g, van de Internationale Bepalingen, dient de radarcentrale aan de Knock daarvan onverwijld in kennis te worden gesteld.
(5). Op schepen die het in artikel 13, tweede lid, bedoelde „blijf weg”-sein waarnemen, dienen onverwijld alle vereiste maatregelen tot afwending van het dreigende gevaar te worden getroffen, in het bijzonder:
1. alle naar buiten leidende en niet tot instandhouding van de scheepshuishouding noodzakelijke openingen te worden gesloten;
2. alle niet voor de waarborging van de veiligheid van schip, bemanning en lading noodzakelijke hulpmachines te worden stopgezet;
3. onbeschermde open vuren te worden geblust, in het bijzonder het roken te worden gestaakt, alsmede
4. toestellen met gloeiende of vonken verspreidende onderdelen te worden stilgezet.
- Citeren als
- Art. 27
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0002504
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl