BWBV0002504
Geldig vanaf 11-12-2002
Artikel 18
Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding
(1). Schepen die in een vaarwater varen, hebben voorrang ten opzichte van schepen die
1. het vaarwater invaren,
2. het vaarwater kruisen,
3. in het vaarwater keren,
4. hun anker- of ligplaatsen verlaten.
(2). Schepen die zich in een vaarwater bevinden, hebben voorrang boven schepen die dit vaarwater vanuit een aftakking of een uitmonding invaren.
(3). Indien schepen van beide zijden een engte naderen die niet met zekerheid voldoende ruimte voor een gelijktijdige doorvaart biedt, of een door het verkeersteken A.2 van Hoofdstuk I van Aanhangsel 1 gekenmerkte plaats van het vaarwater, heeft in aan getijden onderhevige wateren het stroomafwaarts varende schip voorrang en bij doodtij het schip dat daarvóór tegen de stroom in gevaren heeft. Het tot wachten verplichte schip moet zolang buiten de engte wachten, tot het andere schip gepasseerd is.
(4). Het schip dat voorrang dient te verlenen, moet tijdig door zijn vaargedrag kenbaar maken dat het zal wachten. Het schip mag slechts doorvaren, als kan worden overzien dat de scheepvaart niet wordt belemmerd.
(5). De bevoegde autoriteiten kan voor bepaalde plaatsen, binnen vaargebieden en tussen bepaalde schepen afwijkende voorrangsregels vaststellen.
(6). Zeilschepen dienen in het vaarwater voor elkaar uitsluitend overeenkomstig de Internationale Bepalingen uit te wijken, wanneer ze daardoor schepen die voorrang hebben niet in gevaar brengen of hinderen.
1. het vaarwater invaren,
2. het vaarwater kruisen,
3. in het vaarwater keren,
4. hun anker- of ligplaatsen verlaten.
(2). Schepen die zich in een vaarwater bevinden, hebben voorrang boven schepen die dit vaarwater vanuit een aftakking of een uitmonding invaren.
(3). Indien schepen van beide zijden een engte naderen die niet met zekerheid voldoende ruimte voor een gelijktijdige doorvaart biedt, of een door het verkeersteken A.2 van Hoofdstuk I van Aanhangsel 1 gekenmerkte plaats van het vaarwater, heeft in aan getijden onderhevige wateren het stroomafwaarts varende schip voorrang en bij doodtij het schip dat daarvóór tegen de stroom in gevaren heeft. Het tot wachten verplichte schip moet zolang buiten de engte wachten, tot het andere schip gepasseerd is.
(4). Het schip dat voorrang dient te verlenen, moet tijdig door zijn vaargedrag kenbaar maken dat het zal wachten. Het schip mag slechts doorvaren, als kan worden overzien dat de scheepvaart niet wordt belemmerd.
(5). De bevoegde autoriteiten kan voor bepaalde plaatsen, binnen vaargebieden en tussen bepaalde schepen afwijkende voorrangsregels vaststellen.
(6). Zeilschepen dienen in het vaarwater voor elkaar uitsluitend overeenkomstig de Internationale Bepalingen uit te wijken, wanneer ze daardoor schepen die voorrang hebben niet in gevaar brengen of hinderen.
- Citeren als
- Art. 18
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0002504
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl