BWBV0002504
Geldig vanaf 11-12-2002
Artikel 23
Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding
(1). Het is verboden te ankeren in het vaarwater, uitgezonderd op de reden en in de door de bevoegde autoriteit vastgestelde wateroppervlakken. Dit geldt niet voor beperkt manoeuvreerbare schepen zoals bedoeld in Voorschrift 3, letter g, cijfer i en cijfer ii, van de Internationale Bepalingen.
Buiten het vaarwater is het verboden te ankeren in de volgende wateroppervlakken:
1. in engten en in onoverzichtelijke bochten;
2. binnen een omtrek van 300 meter van beperkt manoeuvreerbare schepen, wrakken en andere obstakels voor de scheepvaart, en leidingstraten, alsmede van plaatsen die door de verkeerstekens E.5 van Hoofdstuk I van Aanhangsel 1 gekenmerkt zijn;
3. op plaatsen en binnen wateroppervlakken die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld;
4. vóór haveningangen, aanlegplaatsen en uitwateringssluizen.
(2). Het slepen van het anker is verboden. In het gebied van de in het eerste lid, No. 2, genoemde wateroppervlakken is ook het gebruik van het anker voor manoeuvreerdoeleinden verboden.
(3). Vervallen.
(4). Op reden mogen slechts de schepen ankeren waaraan het liggen met het oog op het doel waarvoor de rede bestemd is, aldaar is toegestaan. De voorwaarden worden door de bevoegde autoriteit vastgesteld.
(5). Op een in de nabijheid van het vaarwater of op een rede ten anker liggend schip of een schip en een voorwerp, zoals bedoeld in Voorschrift 24, letter g, van de Internationale Bepalingen, alsmede op schepen waarop krachtens het bepaalde in het vierde lid het verbod tot ankeren niet van toepassing is, dient permanent ankerwacht te worden gelopen. Dit voorschrift geldt niet voor schepen met een lengte van minder dan 12 meter op de krachtens het bepaalde in artikel 6, derde lid, vastgestelde wateroppervlakken.
Buiten het vaarwater is het verboden te ankeren in de volgende wateroppervlakken:
1. in engten en in onoverzichtelijke bochten;
2. binnen een omtrek van 300 meter van beperkt manoeuvreerbare schepen, wrakken en andere obstakels voor de scheepvaart, en leidingstraten, alsmede van plaatsen die door de verkeerstekens E.5 van Hoofdstuk I van Aanhangsel 1 gekenmerkt zijn;
3. op plaatsen en binnen wateroppervlakken die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld;
4. vóór haveningangen, aanlegplaatsen en uitwateringssluizen.
(2). Het slepen van het anker is verboden. In het gebied van de in het eerste lid, No. 2, genoemde wateroppervlakken is ook het gebruik van het anker voor manoeuvreerdoeleinden verboden.
(3). Vervallen.
(4). Op reden mogen slechts de schepen ankeren waaraan het liggen met het oog op het doel waarvoor de rede bestemd is, aldaar is toegestaan. De voorwaarden worden door de bevoegde autoriteit vastgesteld.
(5). Op een in de nabijheid van het vaarwater of op een rede ten anker liggend schip of een schip en een voorwerp, zoals bedoeld in Voorschrift 24, letter g, van de Internationale Bepalingen, alsmede op schepen waarop krachtens het bepaalde in het vierde lid het verbod tot ankeren niet van toepassing is, dient permanent ankerwacht te worden gelopen. Dit voorschrift geldt niet voor schepen met een lengte van minder dan 12 meter op de krachtens het bepaalde in artikel 6, derde lid, vastgestelde wateroppervlakken.
- Citeren als
- Art. 23
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0002504
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl