(1). De Eemsmonding mag door de hieronder vermelde schepen alleen onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden bevaren worden:
1. Tankschepen, duwstellen en slepen die a. gasvormige stoffen overeenkomstig de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gas als massagoed vervoeren, (IGC-Code), in de geldende versie, behoudens stikstof en koelvloeistoffen,
b. vloeibare stoffen overeenkomstig de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die chemicaliën als massagoed vervoeren (IBC-Code), in de geldende versie, waarvoor krachtens Hoofdstuk 15, paragraaf 15.19 van de IBC-Code zonder enige uitzondering overvulbeveiligingen en een alarm dat de vulhoogte aangeeft zijn voorgeschreven en die daarom de aantekening ,,15.19’’ in kolom ,,o’’ van de tabel in Hoofdstuk 17 van de Code hebben, of
c. vloeibare stoffen die vallen onder Bijlage I van het Internationale Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen en het Protocol daarbij van 1978 (MARPOL-Verdrag), in de geldende versie, als massagoed vervoeren.
a. gasvormige stoffen overeenkomstig de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gas als massagoed vervoeren, (IGC-Code), in de geldende versie, behoudens stikstof en koelvloeistoffen,
b. vloeibare stoffen overeenkomstig de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die chemicaliën als massagoed vervoeren (IBC-Code), in de geldende versie, waarvoor krachtens Hoofdstuk 15, paragraaf 15.19 van de IBC-Code zonder enige uitzondering overvulbeveiligingen en een alarm dat de vulhoogte aangeeft zijn voorgeschreven en die daarom de aantekening ,,15.19’’ in kolom ,,o’’ van de tabel in Hoofdstuk 17 van de Code hebben, of
c. vloeibare stoffen die vallen onder Bijlage I van het Internationale Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen en het Protocol daarbij van 1978 (MARPOL-Verdrag), in de geldende versie, als massagoed vervoeren.
2. Lege tankschepen, duwstellen en slepen na het lossen van de in nummer 1, letters b of c genoemde stoffen – uitgezonderd restanten, die bij normaal functioneren van de losinstallaties niet meer kunnen worden gepompt – voorzover het vlampunt van de laatste lading lager was dan 35° C en de tanks niet gereinigd en ontgast of geheel geïnertiseerd zijn.
3. Reaktorschepen.
(2). De voorwaarden voor het bevaren van de Eemsmonding zijn:
1. bij het invaren van de Eemsmonding of bij het verlaten van een ligplaats moet het zicht meer dan 1000 meter bedragen;
2. er moet een permanente marifoonverbinding met de door de bevoegde autoriteit vastgestelde positie bestaan, die ook dan moet zijn verzekerd, wanneer met andere posities gesprekken via de marifooninstallatie worden gevoerd;
3. er moet een goed functionerend radarapparaat zijn ingeschakeld, waarvan het scherm bij beperkt zicht permanent door een deskundige dient te worden geobserveerd.
4. het gebruik van automatische stuurinrichtingen is slechts toegestaan op de door de bevoegde autoriteit vastgestelde voorwaarden;
5. de tankdeksels dienen gesloten te worden gehouden.
Het bepaalde in No. 1 is niet van toepassing op tankschepen met een laadvermogen tot 2000 ton bij een zicht van meer dan 500 meter, indien zij uitsluitend of na de laatste reiniging en ontgassing aardolieprodukten met een vlampunt van 35°C of hoger vervoeren en met een gyrokompas of een goedgekeurd en gecompenseerd magneetkompas zijn uitgerust.
(3). De bevoegde autoriteit kan met betrekking tot schepen, zoals bedoeld in het eerste lid, en met betrekking tot lege tankschepen, met inbegrip van duwstellen en slepen, na het lossen van de in No. 1 van Aanhangsel 2 genoemde stoffen, verdere voorwaarden voor het bevaren van de Eemsmonding, in het bijzonder met betrekking tot het aannemen van sleepboothulp, vaststellen.
(4). De door de bevoegde autoriteit vastgestelde wateroppervlakken mogen door bepaalde schepen of categorieën schepen slechts na voorafgaande melding bij de bevoegde autoriteit met inachtneming van de regelingen voor de verkeersgeleiding worden bevaren.
(5). Het bevaren van wateroppervlakken in bepaalde perioden, bij bepaalde waterstanden of bij weersomstandigheden die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld, is verboden. Deze bepaling is niet van toepassing op categorieën schepen die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld.
(6). Door de verkeerscentrale kan met goedvinden van de beide bevoegde autoriteiten in individuele gevallen ontheffing worden verleend van de in het tweede lid genoemde voorwaarden voor het bevaren van de Eemsmonding.