BWBR0049658
Geldig vanaf 2025-11-24
Artikel 4
Tijdelijke regeling uitkering bodem 2024–2030
1. Het uitkeringsplafond bedraagt voor de periode 2024 tot en met 2030 € 493.898.468,–.
2. Het uitkeringsplafond voor het jaar 2024 bedraagt voor:
a. historische spoedopgaven € 35.200.000,–;
b. buitenproportionele opgaven categorie A € 58.000.000,–, waarvan beschikbaar: 1° € 12.000.000,– voor activiteiten met betrekking tot de aanpak van diffuus verspreid lood; en
2° € 46.000.000,– voor activiteiten met betrekking tot de aanpak van PFAS en andere niet genormeerde stoffen;
1° € 12.000.000,– voor activiteiten met betrekking tot de aanpak van diffuus verspreid lood; en
2° € 46.000.000,– voor activiteiten met betrekking tot de aanpak van PFAS en andere niet genormeerde stoffen;
c. oude afspraken € 32.000.000,–; en
d. toekomstbestendig omgaan met nazorg: € 8.000.000,–.
3. Het uitkeringsplafond voor buitenproportionele opgaven categorie B bedraagt in ieder van de jaren 2024 en 2025 € 4.000.000,–.
4. De minister stelt in 2025, 2027 en 2029 het uitkeringsplafond vast voor de onderdelen, genoemd in het tweede lid, onderdelen a, b, subonderdeel 1, c en d en derde lid, alsmede de toedeling over die onderdelen en de desbetreffende elementen en maakt dit bekend in de Staatscourant voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het wordt vastgesteld.
5. De bedragen, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, zijn exclusief compensabele btw.
6. De beschikbare bedragen, bedoeld in het vierde lid, worden na het verstrijken van de desbetreffende aanvraagperiode evenredig verdeeld over de voor honorering in aanmerking komende aanvragen.
7. Indien ingevolge een evenredige verdeling als bedoeld in het zesde lid, een aanvraag niet volledig wordt gehonoreerd, voert het bevoegd gezag Wbb, het bevoegd gezag Ow, het college of het waterschap binnen de bestedingsduur opgenomen in de beschikking tot verlening van de uitkering, een evenredig deel uit van alle projecten binnen de budgetpost waarvoor de aanvraag is gehonoreerd.
8. Indien een beschikbaar bedrag als bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, na de verdeling, bedoeld in het zesde lid, niet is uitgeput, kan de minister na het einde van de desbetreffende aanvraagperiode het resterende bedrag verdelen overeenkomstig artikel 31of artikel 32.
2. Het uitkeringsplafond voor het jaar 2024 bedraagt voor:
a. historische spoedopgaven € 35.200.000,–;
b. buitenproportionele opgaven categorie A € 58.000.000,–, waarvan beschikbaar: 1° € 12.000.000,– voor activiteiten met betrekking tot de aanpak van diffuus verspreid lood; en
2° € 46.000.000,– voor activiteiten met betrekking tot de aanpak van PFAS en andere niet genormeerde stoffen;
1° € 12.000.000,– voor activiteiten met betrekking tot de aanpak van diffuus verspreid lood; en
2° € 46.000.000,– voor activiteiten met betrekking tot de aanpak van PFAS en andere niet genormeerde stoffen;
c. oude afspraken € 32.000.000,–; en
d. toekomstbestendig omgaan met nazorg: € 8.000.000,–.
3. Het uitkeringsplafond voor buitenproportionele opgaven categorie B bedraagt in ieder van de jaren 2024 en 2025 € 4.000.000,–.
4. De minister stelt in 2025, 2027 en 2029 het uitkeringsplafond vast voor de onderdelen, genoemd in het tweede lid, onderdelen a, b, subonderdeel 1, c en d en derde lid, alsmede de toedeling over die onderdelen en de desbetreffende elementen en maakt dit bekend in de Staatscourant voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het wordt vastgesteld.
5. De bedragen, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, zijn exclusief compensabele btw.
6. De beschikbare bedragen, bedoeld in het vierde lid, worden na het verstrijken van de desbetreffende aanvraagperiode evenredig verdeeld over de voor honorering in aanmerking komende aanvragen.
7. Indien ingevolge een evenredige verdeling als bedoeld in het zesde lid, een aanvraag niet volledig wordt gehonoreerd, voert het bevoegd gezag Wbb, het bevoegd gezag Ow, het college of het waterschap binnen de bestedingsduur opgenomen in de beschikking tot verlening van de uitkering, een evenredig deel uit van alle projecten binnen de budgetpost waarvoor de aanvraag is gehonoreerd.
8. Indien een beschikbaar bedrag als bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, na de verdeling, bedoeld in het zesde lid, niet is uitgeput, kan de minister na het einde van de desbetreffende aanvraagperiode het resterende bedrag verdelen overeenkomstig artikel 31of artikel 32.