BWBR0049658
Geldig vanaf 2025-11-24
Artikel 12
Tijdelijke regeling uitkering bodem 2024–2030
1. Een bevoegd gezag Wbb kan in 2026, 2028 of 2030 een aanvraag doen voor een uitkering voor de aanpak van een historische spoedopgave indien het een of meer projecten of het aangaan van financiële verplichtingen betreft, die niet in een eerdere aanvraag op grond van deze regeling zijn opgenomen of waarvoor na de verdeling, bedoeld in artikel 4, zesde lid, een lagere uitkering is verleend.
2. Een aanvraag die in 2026 wordt gedaan, kan een of meer projecten of financiële verplichtingen betreffen, die in de periode van 2026 tot en met 2030 worden uitgevoerd respectievelijk worden aangegaan.
3. Een aanvraag die in 2028 of in 2030 wordt gedaan, betreft projecten of financiële verplichtingen met een doorlooptijd van ten hoogste drie jaar.
4. Een bevoegd gezag Wbb kan in 2026, 2028 of 2030 een wijziging aanvragen van een op grond van deze regeling gehonoreerde aanvraag.
5. Een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, bevat:
a. de voor de projecten of activiteiten in de oorspronkelijke aanvraag opgenomen kosten en de onderbouwde bijstelling van die kosten; en
b. de voortgang van de activiteiten waarvoor de desbetreffende uitkering is verleend, waarbij wordt aangegeven welke activiteiten worden uitgevoerd of zijn afgerond.
6. Artikel 11, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid.
2. Een aanvraag die in 2026 wordt gedaan, kan een of meer projecten of financiële verplichtingen betreffen, die in de periode van 2026 tot en met 2030 worden uitgevoerd respectievelijk worden aangegaan.
3. Een aanvraag die in 2028 of in 2030 wordt gedaan, betreft projecten of financiële verplichtingen met een doorlooptijd van ten hoogste drie jaar.
4. Een bevoegd gezag Wbb kan in 2026, 2028 of 2030 een wijziging aanvragen van een op grond van deze regeling gehonoreerde aanvraag.
5. Een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, bevat:
a. de voor de projecten of activiteiten in de oorspronkelijke aanvraag opgenomen kosten en de onderbouwde bijstelling van die kosten; en
b. de voortgang van de activiteiten waarvoor de desbetreffende uitkering is verleend, waarbij wordt aangegeven welke activiteiten worden uitgevoerd of zijn afgerond.
6. Artikel 11, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid.