BWBR0049658
Geldig vanaf 2025-11-24
Artikel 19
Tijdelijke regeling uitkering bodem 2024–2030
1. Een bevoegd gezag Wbb, een bevoegd gezag Ow of een college kan in 2026, 2028 of 2030 een aanvraag doen voor een uitkering voor de aanpak van een buitenproportionele opgave categorie A indien het een of meer projecten betreft die niet in een eerdere aanvraag op grond van deze regeling zijn opgenomen of waarvoor na de verdeling, bedoeld in artikel 4, zesde lid, een lagere uitkering is verleend.
2. Een aanvraag die in 2026 wordt gedaan, kan een of meer projecten betreffen die in de periode van 2026 tot en met 2030 worden uitgevoerd.
3. Een aanvraag die in 2028 of in 2030 wordt gedaan, betreft projecten met een doorlooptijd van ten hoogste drie jaar.
4. Een bevoegd gezag Wbb, een bevoegd gezag Ow of een college kan in 2026, 2028 of 2030 een wijziging aanvragen van een op grond van deze regeling gehonoreerde aanvraag.
5. Een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, bevat:
a. de voor de projecten of activiteiten in de oorspronkelijke aanvraag opgenomen kosten en de onderbouwde bijstelling van die kosten; en
b. de voortgang van de activiteiten waarvoor de desbetreffende uitkering is verleend, waarbij wordt aangegeven welke activiteiten worden uitgevoerd of zijn afgerond.
6. Artikel 18, eerste tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, met dien verstande dat een projectplan niet is vereist indien een aanvraag tot wijziging een bijstelling van de kosten naar beneden betreft.
2. Een aanvraag die in 2026 wordt gedaan, kan een of meer projecten betreffen die in de periode van 2026 tot en met 2030 worden uitgevoerd.
3. Een aanvraag die in 2028 of in 2030 wordt gedaan, betreft projecten met een doorlooptijd van ten hoogste drie jaar.
4. Een bevoegd gezag Wbb, een bevoegd gezag Ow of een college kan in 2026, 2028 of 2030 een wijziging aanvragen van een op grond van deze regeling gehonoreerde aanvraag.
5. Een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, bevat:
a. de voor de projecten of activiteiten in de oorspronkelijke aanvraag opgenomen kosten en de onderbouwde bijstelling van die kosten; en
b. de voortgang van de activiteiten waarvoor de desbetreffende uitkering is verleend, waarbij wordt aangegeven welke activiteiten worden uitgevoerd of zijn afgerond.
6. Artikel 18, eerste tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, met dien verstande dat een projectplan niet is vereist indien een aanvraag tot wijziging een bijstelling van de kosten naar beneden betreft.