BWBR0049658
Geldig vanaf 2025-11-24
Artikel 26
Tijdelijke regeling uitkering bodem 2024–2030
1. Het bevoegd gezag Wbb besteedt de uitkering voor een oude afspraak uitsluitend aan:
a. de instandhouding of voortzetting van een reeds tussen de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of de minister en het desbetreffende bevoegd gezag overeengekomen gevalsgerichte dan wel gebiedsgerichte aanpak van ernstige bodemverontreiniging;
b. het nemen van maatregelen die tot doel hebben om te komen tot afbouw van isoleren, beheer- en controlemaatregelen als bedoeld in het convenant bodem en ondergrond;
c. het wegnemen van onvoorziene milieuhygiënische risico’s bij de reeds overeengekomen gevalsgerichte aanpak van ernstige bodemverontreiniging; of
d. andere activiteiten binnen de werkvoorraad om mee – en tegenvallers in de kosten of de planning binnen de werkvoorraad op te vangen, met uitzondering van een sanering als bedoeld in artikel 17 en het opstellen van een plan als bedoeld in artikel 27, met dien verstande dat de projecten opgenomen in de beschikking tot verlening van de uitkering worden uitgevoerd.
2. Het bevoegd gezag besteedt de uitkering, bedoeld in het eerste lid, bovendien uitsluitend aan activiteiten waarvan de kosten niet kunnen worden verhaald op de veroorzaker van de bodemverontreiniging of aan activiteiten waarvan de kosten wegens onvoldoende draagkracht niet of niet volledig kunnen worden gedragen door de eigenaar van de locatie.
3. Indien er sprake is van een situatie waarin het bevoegd gezag onverwijld moet handelen vanwege risico’s voor mens of ecologie of van verspreiding van de verontreiniging, mag de uitkering in afwijking van het tweede lid worden besteed aan de kosten daarvoor, vooruitlopend op het verhaal van die kosten op de veroorzaker van de verontreiniging of de eigenaar van de locatie.
4. De activiteiten opgenomen in de beschikking tot verlening van de uitkering mogen in geval van onvoorziene vertraging in de uitvoering uiterlijk zijn uitgevoerd:
a. in 2032 indien het activiteiten betreft waarvoor in 2024 of 2026 een uitkering is verleend; of
b. vijf jaar na de startdatum van de bestedingsperiode indien het activiteiten betreft waarvoor in 2028 of 2030 een uitkering is verleend.
a. de instandhouding of voortzetting van een reeds tussen de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of de minister en het desbetreffende bevoegd gezag overeengekomen gevalsgerichte dan wel gebiedsgerichte aanpak van ernstige bodemverontreiniging;
b. het nemen van maatregelen die tot doel hebben om te komen tot afbouw van isoleren, beheer- en controlemaatregelen als bedoeld in het convenant bodem en ondergrond;
c. het wegnemen van onvoorziene milieuhygiënische risico’s bij de reeds overeengekomen gevalsgerichte aanpak van ernstige bodemverontreiniging; of
d. andere activiteiten binnen de werkvoorraad om mee – en tegenvallers in de kosten of de planning binnen de werkvoorraad op te vangen, met uitzondering van een sanering als bedoeld in artikel 17 en het opstellen van een plan als bedoeld in artikel 27, met dien verstande dat de projecten opgenomen in de beschikking tot verlening van de uitkering worden uitgevoerd.
2. Het bevoegd gezag besteedt de uitkering, bedoeld in het eerste lid, bovendien uitsluitend aan activiteiten waarvan de kosten niet kunnen worden verhaald op de veroorzaker van de bodemverontreiniging of aan activiteiten waarvan de kosten wegens onvoldoende draagkracht niet of niet volledig kunnen worden gedragen door de eigenaar van de locatie.
3. Indien er sprake is van een situatie waarin het bevoegd gezag onverwijld moet handelen vanwege risico’s voor mens of ecologie of van verspreiding van de verontreiniging, mag de uitkering in afwijking van het tweede lid worden besteed aan de kosten daarvoor, vooruitlopend op het verhaal van die kosten op de veroorzaker van de verontreiniging of de eigenaar van de locatie.
4. De activiteiten opgenomen in de beschikking tot verlening van de uitkering mogen in geval van onvoorziene vertraging in de uitvoering uiterlijk zijn uitgevoerd:
a. in 2032 indien het activiteiten betreft waarvoor in 2024 of 2026 een uitkering is verleend; of
b. vijf jaar na de startdatum van de bestedingsperiode indien het activiteiten betreft waarvoor in 2028 of 2030 een uitkering is verleend.