BWBR0028547
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 9
Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES
1. Een vergunning kan door de Bank worden ingetrokken, indien:
a. met betrekking tot de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met l, zich voordoet, dan wel, met betrekking tot een geldtransactiekantoor, een omstandigheid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen e, f, h, k en l, zich voordoet,
b. de onderneming of instelling waaraan de vergunning is verleend, niet binnen een door de Bank vast te stellen termijn met haar bedrijf daadwerkelijk een aanvang heeft gemaakt,
c. de onderneming of instelling waaraan de vergunning is verleend, kennelijk haar bedrijf niet meer uitoefent,
d. de onderneming of instelling aan een waarschuwing of aanwijzing als bedoeld in artikel 10, binnen een door de Bank te bepalen termijn geen gevolg heeft gegeven,
e. een of meer van de beperkingen gesteld bij onderscheidenlijk de voorschriften verbonden aan de vergunning worden overtreden,
f. de onderneming of instelling niet voldoet aan de voorschriften gegeven krachtens de artikelen 19 en 21,
g. één der overige bepalingen van deze wet wordt overtreden,
h. de kredietinstelling niet beschikt over een verklaring omtrent de getrouwheid dan wel die verklaring een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening van de instelling een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar,
i. de onderneming of instelling aan welke een vergunning is verleend, opgehouden heeft kredietinstelling, onderscheidenlijk geldtransactiekantoor, te zijn.
2. Een onderneming of instelling kan bij aangetekende brief aan de Bank verzoeken de aan haar verleende vergunning in te trekken. Binnen zestig dagen na ontvangst van een zodanig verzoek wordt daarop door de Bank beslist.
3. Een besluit tot intrekking van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, of de weigering tot intrekking van een vergunning als bedoeld in het tweede lid, is met redenen omkleed en wordt door de Bank bij deurwaardersexploit aan de betrokken onderneming of instelling betekend.
4. Tegen een besluit tot intrekking of weigering tot intrekking als bedoeld in het derde lid, kan de betrokken onderneming of instelling, binnen dertig dagen na betekening van het deurwaardersexploit, waarmee het besluit tot intrekking of tot weigering werd medegedeeld, beroep instellen overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XI.
5. Een besluit tot intrekking van een vergunning wordt onherroepelijk, zodra de in het vierde lid genoemde beroepstermijn is verstreken of de uitspraak van het Gerecht, bedoeld in artikel 49, eerste lid, in kracht van gewijsde is gegaan. Het besluit tot intrekking van de vergunning wordt zo spoedig mogelijk nadat het onherroepelijk is geworden, gepubliceerd in de Staatscourant.
6. De onderneming of instelling waarvan de vergunning is ingetrokken dan wel die beroep heeft aangetekend tegen het besluit tot intrekking, bedoeld onder het vierde lid, is gehouden met inachtneming van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen haar werkzaamheden als onderneming of instelling af te wikkelen conform de door de Bank te stellen voorwaarden volgens een door de Bank vast te stellen procedure en binnen een door de Bank vast te stellen termijn. De Bank kan daarbij de uitoefening van de bevoegdheid van een kredietinstelling om over haar waarden te beschikken, beperken of haar verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Bank over deze waarden te beschikken. De kredietinstelling die beroep heeft aangetekend tegen de weigering van de Bank haar vergunning in te trekken, dient, hangende de behandeling van het beroep haar bedrijf voort te zetten met inachtneming van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen.
a. met betrekking tot de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met l, zich voordoet, dan wel, met betrekking tot een geldtransactiekantoor, een omstandigheid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen e, f, h, k en l, zich voordoet,
b. de onderneming of instelling waaraan de vergunning is verleend, niet binnen een door de Bank vast te stellen termijn met haar bedrijf daadwerkelijk een aanvang heeft gemaakt,
c. de onderneming of instelling waaraan de vergunning is verleend, kennelijk haar bedrijf niet meer uitoefent,
d. de onderneming of instelling aan een waarschuwing of aanwijzing als bedoeld in artikel 10, binnen een door de Bank te bepalen termijn geen gevolg heeft gegeven,
e. een of meer van de beperkingen gesteld bij onderscheidenlijk de voorschriften verbonden aan de vergunning worden overtreden,
f. de onderneming of instelling niet voldoet aan de voorschriften gegeven krachtens de artikelen 19 en 21,
g. één der overige bepalingen van deze wet wordt overtreden,
h. de kredietinstelling niet beschikt over een verklaring omtrent de getrouwheid dan wel die verklaring een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening van de instelling een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar,
i. de onderneming of instelling aan welke een vergunning is verleend, opgehouden heeft kredietinstelling, onderscheidenlijk geldtransactiekantoor, te zijn.
2. Een onderneming of instelling kan bij aangetekende brief aan de Bank verzoeken de aan haar verleende vergunning in te trekken. Binnen zestig dagen na ontvangst van een zodanig verzoek wordt daarop door de Bank beslist.
3. Een besluit tot intrekking van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, of de weigering tot intrekking van een vergunning als bedoeld in het tweede lid, is met redenen omkleed en wordt door de Bank bij deurwaardersexploit aan de betrokken onderneming of instelling betekend.
4. Tegen een besluit tot intrekking of weigering tot intrekking als bedoeld in het derde lid, kan de betrokken onderneming of instelling, binnen dertig dagen na betekening van het deurwaardersexploit, waarmee het besluit tot intrekking of tot weigering werd medegedeeld, beroep instellen overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XI.
5. Een besluit tot intrekking van een vergunning wordt onherroepelijk, zodra de in het vierde lid genoemde beroepstermijn is verstreken of de uitspraak van het Gerecht, bedoeld in artikel 49, eerste lid, in kracht van gewijsde is gegaan. Het besluit tot intrekking van de vergunning wordt zo spoedig mogelijk nadat het onherroepelijk is geworden, gepubliceerd in de Staatscourant.
6. De onderneming of instelling waarvan de vergunning is ingetrokken dan wel die beroep heeft aangetekend tegen het besluit tot intrekking, bedoeld onder het vierde lid, is gehouden met inachtneming van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen haar werkzaamheden als onderneming of instelling af te wikkelen conform de door de Bank te stellen voorwaarden volgens een door de Bank vast te stellen procedure en binnen een door de Bank vast te stellen termijn. De Bank kan daarbij de uitoefening van de bevoegdheid van een kredietinstelling om over haar waarden te beschikken, beperken of haar verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Bank over deze waarden te beschikken. De kredietinstelling die beroep heeft aangetekend tegen de weigering van de Bank haar vergunning in te trekken, dient, hangende de behandeling van het beroep haar bedrijf voort te zetten met inachtneming van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen.
- Citeren als
- Art. 9
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028547
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl