BWBR0028547
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 8
Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES
1. De Bank is bevoegd bij een ieder waarvan zij op grond van feiten en omstandigheden vermoedt dat zij een kredietinstelling of geldtransactiekantoor is dan wel het bedrijf van kredietinstelling of geldtransactiekantoor uitoefent, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, die redelijkerwijs geacht kunnen worden nodig te zijn om zulks te beoordelen. De Bank verzoekt bij aangetekende brief om de gewenste inlichtingen. De door de Bank of door degene die in haar opdracht handelt, gevraagde inlichtingen, dienen door degene die de Bank heeft aangeschreven, schriftelijk binnen 30 dagen na ontvangst van de aangetekende brief waarbij de inlichtingen worden gevraagd, aan de Bank of diegene die in haar opdracht handelt, te worden toegezonden.
2. De Bank is bevoegd, indien daartoe naar het oordeel van de Bank dringende redenen bestaan, gelet op de effectieve behartiging van de belangen die deze wet beoogt te beschermen, zonder voorafgaand schriftelijk verzoek als bedoeld in het eerste lid, dan wel zonder schriftelijke aankondiging, bij de persoon, onderneming of instelling de nodige inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen.
3. De in het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde persoon, onderneming of instelling stelt de Bank of degene die in haar opdracht handelt, in de gelegenheid zich aan de hand van haar boeken, bescheiden en andere informatiedragers, te overtuigen van de juistheid en volledigheid van de door de persoon, onderneming of instelling verstrekte inlichtingen en verleent daarbij alle medewerking; hij verschaft de Bank inzage in alle boeken bescheiden en andere informatiedragers en geeft de Bank desgevraagd afschriften van dezen.
4. Indien blijkt dat een persoon, onderneming of instelling het bedrijf van kredietinstelling of geldtransactiekantoor uitoefent zonder vergunning van de Bank, is die persoon, onderneming of instelling op aanwijzing van de Bank gehouden, onverminderd het bepaalde in artikel 50, de uitoefening van haar bedrijf onmiddellijk te staken en onder toezicht van de Bank de verrichte handeling of handelingen, voor zover de Bank zulks mogelijk acht, binnen een door de Bank te stellen termijn, ongedaan te maken. De Bank kan evenwel, indien daartoe door de betrokken onderneming of instelling wordt verzocht, alsnog vergunning verlenen om het bedrijf van kredietinstelling of geldtransactiekantoor.
5. Indien de in het vierde lid bedoelde onderneming of instelling een vennootschap opgericht naar het recht van de openbare lichamen is, is de Bank bevoegd, onverminderd het bepaalde in artikel 41, aan de betrokken rechter in eerste aanleg ontbinding van de vennootschap te vorderen wanneer deze na de in het vierde lid bedoelde aanwijzing van de Bank door gaat het bedrijf van kredietinstelling of geldtransactiekantoor uit te oefenen. Op een ontbondenverklaring zijn de bepalingen in titel 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES die betrekking hebben op de ontbinding van een rechtspersoon van overeenkomstige toepassing.
2. De Bank is bevoegd, indien daartoe naar het oordeel van de Bank dringende redenen bestaan, gelet op de effectieve behartiging van de belangen die deze wet beoogt te beschermen, zonder voorafgaand schriftelijk verzoek als bedoeld in het eerste lid, dan wel zonder schriftelijke aankondiging, bij de persoon, onderneming of instelling de nodige inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen.
3. De in het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde persoon, onderneming of instelling stelt de Bank of degene die in haar opdracht handelt, in de gelegenheid zich aan de hand van haar boeken, bescheiden en andere informatiedragers, te overtuigen van de juistheid en volledigheid van de door de persoon, onderneming of instelling verstrekte inlichtingen en verleent daarbij alle medewerking; hij verschaft de Bank inzage in alle boeken bescheiden en andere informatiedragers en geeft de Bank desgevraagd afschriften van dezen.
4. Indien blijkt dat een persoon, onderneming of instelling het bedrijf van kredietinstelling of geldtransactiekantoor uitoefent zonder vergunning van de Bank, is die persoon, onderneming of instelling op aanwijzing van de Bank gehouden, onverminderd het bepaalde in artikel 50, de uitoefening van haar bedrijf onmiddellijk te staken en onder toezicht van de Bank de verrichte handeling of handelingen, voor zover de Bank zulks mogelijk acht, binnen een door de Bank te stellen termijn, ongedaan te maken. De Bank kan evenwel, indien daartoe door de betrokken onderneming of instelling wordt verzocht, alsnog vergunning verlenen om het bedrijf van kredietinstelling of geldtransactiekantoor.
5. Indien de in het vierde lid bedoelde onderneming of instelling een vennootschap opgericht naar het recht van de openbare lichamen is, is de Bank bevoegd, onverminderd het bepaalde in artikel 41, aan de betrokken rechter in eerste aanleg ontbinding van de vennootschap te vorderen wanneer deze na de in het vierde lid bedoelde aanwijzing van de Bank door gaat het bedrijf van kredietinstelling of geldtransactiekantoor uit te oefenen. Op een ontbondenverklaring zijn de bepalingen in titel 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES die betrekking hebben op de ontbinding van een rechtspersoon van overeenkomstige toepassing.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028547
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl