BWBR0028547
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 16
Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES
1. De Bank kan een bijzonder onderzoek instellen of doen instellen naar feiten of ontwikkelingen aangaande het administratieve beheer of de financiële positie van een kredietinstelling, waarvan kennisneming door de Bank nodig wordt geacht voor de juiste uitoefening van het in artikel 18 bedoelde toezicht.
De kredietinstelling of enige derde, waarbij een zodanig onderzoek, door of in opdracht van de Bank wordt ingesteld, is verplicht daarbij behulpzaam te zijn.
2. Een ieder is verplicht de Bank of degenen die in haar opdracht handelen, op haar verzoek in de gelegenheid te stellen zich, aan de hand van de boeken, bescheiden en andere informatiedragers te overtuigen van de volledigheid en juistheid van bij of krachtens deze wet aan de Bank te verschaffen inlichtingen en opgaven. Een ieder bij wie de Bank zich wil overtuigen van de volledigheid en juistheid van bij of krachtens deze wet aan haar verschafte inlichtingen, is verplicht bij een zodanig, door of in opdracht van de Bank in te stellen onderzoek, behulpzaam te zijn.
3. De Bank kan zich bij een onderzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid, doen bijstaan dan wel een zodanig onderzoek geheel doen uitvoeren door een door de Bank aan te wijzen externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES. De Bank kan de kosten die hiermee verband houden geheel of gedeeltelijk doorberekenen aan de betrokken kredietinstelling.
4. Indien een onderzoek als bedoeld in het tweede of derde lid, dan wel bepaalde werkzaamheden in het kader van een zodanig onderzoek door de Bank aan een externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES worden opgedragen, rapporteert deze zijn bevindingen rechtstreeks en schriftelijk aan de Bank en zendt na verkregen goedkeuring van de Bank een afschrift daarvan aan de betrokken kredietinstelling.
5. Een kredietinstelling is op verzoek van de Bank verplicht een erkende deskundige aan te wijzen die rechtstreeks aan de Bank rapporteert over de interne organisatie van de kredietinstelling.
De kredietinstelling of enige derde, waarbij een zodanig onderzoek, door of in opdracht van de Bank wordt ingesteld, is verplicht daarbij behulpzaam te zijn.
2. Een ieder is verplicht de Bank of degenen die in haar opdracht handelen, op haar verzoek in de gelegenheid te stellen zich, aan de hand van de boeken, bescheiden en andere informatiedragers te overtuigen van de volledigheid en juistheid van bij of krachtens deze wet aan de Bank te verschaffen inlichtingen en opgaven. Een ieder bij wie de Bank zich wil overtuigen van de volledigheid en juistheid van bij of krachtens deze wet aan haar verschafte inlichtingen, is verplicht bij een zodanig, door of in opdracht van de Bank in te stellen onderzoek, behulpzaam te zijn.
3. De Bank kan zich bij een onderzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid, doen bijstaan dan wel een zodanig onderzoek geheel doen uitvoeren door een door de Bank aan te wijzen externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES. De Bank kan de kosten die hiermee verband houden geheel of gedeeltelijk doorberekenen aan de betrokken kredietinstelling.
4. Indien een onderzoek als bedoeld in het tweede of derde lid, dan wel bepaalde werkzaamheden in het kader van een zodanig onderzoek door de Bank aan een externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES worden opgedragen, rapporteert deze zijn bevindingen rechtstreeks en schriftelijk aan de Bank en zendt na verkregen goedkeuring van de Bank een afschrift daarvan aan de betrokken kredietinstelling.
5. Een kredietinstelling is op verzoek van de Bank verplicht een erkende deskundige aan te wijzen die rechtstreeks aan de Bank rapporteert over de interne organisatie van de kredietinstelling.
- Citeren als
- Art. 16
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028547
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl