BWBR0028547
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 4
Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES
1. De Bank verleent de vergunning, tenzij:
a. het dagelijks beleid van de onderneming of instelling door minder dan twee personen wordt bepaald;
b. de onderneming of instelling zijnde een rechtspersoon, niet een raad van commissarissen of een orgaan die een aan de raad van commissarissen gelijksoortige taak heeft, bestaande uit ten minste drie leden heeft;
c. de onderneming of instelling niet beschikt over een per registerafdeling bij ministeriële regeling vast te stellen minimumbedrag aan eigen vermogen;
d. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van een of meer personen die het dagelijks beleid van de onderneming of instelling bepalen, onvoldoende is, in verband met de uitoefening van het bedrijf van de onderhavige onderneming of instelling;
e. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van een of meer personen die het dagelijks beleid van de onderneming of instelling bepalen, van oordeel is dat de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling in ernstig gevaar zouden kunnen komen;
f. de Bank, gelet op de voornemens of antecedenten van een of meer personen die in belangrijke mate zeggenschap uitoefenen in de onderneming of instelling door middel van aan aandelen gebonden stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders of op vergelijkbare wijze, van oordeel is dat er sprake is of zou kunnen zijn van een ongewenste beïnvloeding van de onderneming of instelling;
g. de verklaring, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en samenstelling van het vermogen van de instelling;
h. de Bank op grond van de gegevens als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen f, g of h, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet in staat zal zijn om haar voornemens ten uitvoer te leggen dan wel om aan de haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen;
i. de Bank op grond van de statutaire doelomschrijving reden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling activiteiten kan ontplooien op terreinen die buiten de eigen terreinen liggen en aldus een gevaar voor gezond bankbeleid kunnen inhouden;
j. de onderneming of instelling niet een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is dan wel indien het een buitenlandse onderneming of instelling betreft, deze niet een met deze rechtspersonen vergelijkbare rechtsvorm heeft; of
k. de statuten niet voldoen aan de bepalingen omtrent aandelen en doelomschrijving opgenomen in de algemene vergunningsvoorschriften;
l. de onderneming of instelling niet voldoet aan de in het belang van een integere uitoefening van het bedrijf bij ministeriële regeling te stellen eisen, daaronder begrepen eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid van personen die het beleid van de onderneming of instelling bepalen of medebepalen.
2. Een aanvragende onderneming of instelling die voornemens is het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen, behoeft niet te voldoen aan de onderdelen a tot en met d, g, i en j van het eerste lid. De Bank kan besluiten dat een aanvragende kredietinstelling niet behoeft te voldoen aan een of meer van de onderdelen a tot en met k van het eerste lid.
3. De Bank kan besluiten een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling niet te verlenen indien zij gronden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de regelgeving inzake het toezicht op het bank- en kredietwezen in een andere staat dan wel indien de structuur van de groep waarvan de kredietinstelling deel uitmaakt zodanig is dat de Bank onvoldoende adequaat en effectief toezicht kan uitoefenen op de kredietinstelling.
4. De Bank kan besluiten een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling niet te verlenen indien zij van oordeel is dat het verlenen van de gevraagde vergunning in strijd is of zou kunnen zijn met de ontwikkeling of instandhouding van een gezond bank- en kredietwezen onderscheidenlijk ten detrimente van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstellingen zou kunnen zijn.
5. De Bank kan besluiten een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling niet te verlenen indien naar het oordeel van de Bank, de Bank of de instantie van het land van herkomst van de betrokken onderneming of instelling die met het toezicht op kredietinstellingen is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht op geconsolideerde basis kan uitoefenen.
6. De Bank is bevoegd bij iedere onderneming of instelling die een verzoek heeft ingediend tot verlening van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, als zij meent nodig te hebben ter verificatie van de juistheid en volledigheid van de bij de aanvraag gevoegde informatie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a tot en met j en l.
a. het dagelijks beleid van de onderneming of instelling door minder dan twee personen wordt bepaald;
b. de onderneming of instelling zijnde een rechtspersoon, niet een raad van commissarissen of een orgaan die een aan de raad van commissarissen gelijksoortige taak heeft, bestaande uit ten minste drie leden heeft;
c. de onderneming of instelling niet beschikt over een per registerafdeling bij ministeriële regeling vast te stellen minimumbedrag aan eigen vermogen;
d. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van een of meer personen die het dagelijks beleid van de onderneming of instelling bepalen, onvoldoende is, in verband met de uitoefening van het bedrijf van de onderhavige onderneming of instelling;
e. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van een of meer personen die het dagelijks beleid van de onderneming of instelling bepalen, van oordeel is dat de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling in ernstig gevaar zouden kunnen komen;
f. de Bank, gelet op de voornemens of antecedenten van een of meer personen die in belangrijke mate zeggenschap uitoefenen in de onderneming of instelling door middel van aan aandelen gebonden stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders of op vergelijkbare wijze, van oordeel is dat er sprake is of zou kunnen zijn van een ongewenste beïnvloeding van de onderneming of instelling;
g. de verklaring, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en samenstelling van het vermogen van de instelling;
h. de Bank op grond van de gegevens als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen f, g of h, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet in staat zal zijn om haar voornemens ten uitvoer te leggen dan wel om aan de haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen;
i. de Bank op grond van de statutaire doelomschrijving reden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling activiteiten kan ontplooien op terreinen die buiten de eigen terreinen liggen en aldus een gevaar voor gezond bankbeleid kunnen inhouden;
j. de onderneming of instelling niet een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is dan wel indien het een buitenlandse onderneming of instelling betreft, deze niet een met deze rechtspersonen vergelijkbare rechtsvorm heeft; of
k. de statuten niet voldoen aan de bepalingen omtrent aandelen en doelomschrijving opgenomen in de algemene vergunningsvoorschriften;
l. de onderneming of instelling niet voldoet aan de in het belang van een integere uitoefening van het bedrijf bij ministeriële regeling te stellen eisen, daaronder begrepen eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid van personen die het beleid van de onderneming of instelling bepalen of medebepalen.
2. Een aanvragende onderneming of instelling die voornemens is het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen, behoeft niet te voldoen aan de onderdelen a tot en met d, g, i en j van het eerste lid. De Bank kan besluiten dat een aanvragende kredietinstelling niet behoeft te voldoen aan een of meer van de onderdelen a tot en met k van het eerste lid.
3. De Bank kan besluiten een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling niet te verlenen indien zij gronden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de regelgeving inzake het toezicht op het bank- en kredietwezen in een andere staat dan wel indien de structuur van de groep waarvan de kredietinstelling deel uitmaakt zodanig is dat de Bank onvoldoende adequaat en effectief toezicht kan uitoefenen op de kredietinstelling.
4. De Bank kan besluiten een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling niet te verlenen indien zij van oordeel is dat het verlenen van de gevraagde vergunning in strijd is of zou kunnen zijn met de ontwikkeling of instandhouding van een gezond bank- en kredietwezen onderscheidenlijk ten detrimente van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstellingen zou kunnen zijn.
5. De Bank kan besluiten een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling niet te verlenen indien naar het oordeel van de Bank, de Bank of de instantie van het land van herkomst van de betrokken onderneming of instelling die met het toezicht op kredietinstellingen is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht op geconsolideerde basis kan uitoefenen.
6. De Bank is bevoegd bij iedere onderneming of instelling die een verzoek heeft ingediend tot verlening van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, als zij meent nodig te hebben ter verificatie van de juistheid en volledigheid van de bij de aanvraag gevoegde informatie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a tot en met j en l.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028547
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl