BWBR0028547
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 30
Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES
1. Indien het gerecht de noodregeling uitspreekt, oefent de Bank bij uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders en de commissarissen van de kredietinstelling uit.
2. De Bank waakt voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.
3. De bestuurders en de commissarissen van de kredietinstelling zijn verplicht bij de uitoefening door de Bank van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden alle door de Bank gevraagde medewerking te verlenen.
4. De Bank is bevoegd de bestuurders van de kredietinstelling te machtigen bepaalde handelingen te verrichten.
5. De Bank is bevoegd bestuurders en commissarissen namens de kredietinstelling te ontslaan. Bij dit ontslag worden de overeengekomen of wettelijke termijnen in acht genomen, met dien verstande dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende is.
6. Indien de kredietinstelling statutair gevestigd is in een openbaar lichaam behoeft een besluit van zijn aandeelhouders of leden om van kracht te zijn de goedkeuring van de Bank.
7. Wordt een besluit van aandeelhouders of leden, dat ingevolge de statuten van de in het zesde lid bedoelde kredietinstelling voor een handeling is vereist, niet genomen of verkrijgt dit besluit niet de volgens de statuten vereiste goedkeuring, dan kan de Bank dit besluit nemen.
8. De Bank kan personen machtigen alle of een deel van de bevoegdheden uit te oefenen, die zij ingevolge het eerste lid heeft. De Bank kan het gerecht verzoeken een beloning voor de gemachtigden vast te stellen. De Bank maakt de naam en woonplaats van een door haar gemachtigde alsook de intrekking van een machtiging bekend in de Staatscourant.
9. Ingevolge de haar verleende machtiging is de Bank, ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de kredietinstelling is bepaald, bevoegd alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal van de krediet instelling uit te schrijven en te innen.
2. De Bank waakt voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.
3. De bestuurders en de commissarissen van de kredietinstelling zijn verplicht bij de uitoefening door de Bank van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden alle door de Bank gevraagde medewerking te verlenen.
4. De Bank is bevoegd de bestuurders van de kredietinstelling te machtigen bepaalde handelingen te verrichten.
5. De Bank is bevoegd bestuurders en commissarissen namens de kredietinstelling te ontslaan. Bij dit ontslag worden de overeengekomen of wettelijke termijnen in acht genomen, met dien verstande dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende is.
6. Indien de kredietinstelling statutair gevestigd is in een openbaar lichaam behoeft een besluit van zijn aandeelhouders of leden om van kracht te zijn de goedkeuring van de Bank.
7. Wordt een besluit van aandeelhouders of leden, dat ingevolge de statuten van de in het zesde lid bedoelde kredietinstelling voor een handeling is vereist, niet genomen of verkrijgt dit besluit niet de volgens de statuten vereiste goedkeuring, dan kan de Bank dit besluit nemen.
8. De Bank kan personen machtigen alle of een deel van de bevoegdheden uit te oefenen, die zij ingevolge het eerste lid heeft. De Bank kan het gerecht verzoeken een beloning voor de gemachtigden vast te stellen. De Bank maakt de naam en woonplaats van een door haar gemachtigde alsook de intrekking van een machtiging bekend in de Staatscourant.
9. Ingevolge de haar verleende machtiging is de Bank, ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de kredietinstelling is bepaald, bevoegd alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal van de krediet instelling uit te schrijven en te innen.
- Citeren als
- Art. 30
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028547
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl