BWBR0027597
Geldig vanaf 2010-04-29
Artikel 3.36
Regeling op het specifiek cultuurbeleid
1. De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in een internationale context op het terrein van arthousefilms en aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in een internationale context op het terrein van documentaires, indien:
a. de instelling een beleid voert dat talentontwikkeling alsmede vernieuwing van en voor de filmsector bevordert;
b. de activiteiten van de instelling: 1°. een breed en divers publiek bereiken;
2°. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten;
3°. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en
4°. een aantoonbare impuls leveren aan het aanbod en de regionale spreiding van films in het commerciële en niet-commerciële bioscoopcircuit.
1°. een breed en divers publiek bereiken;
2°. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten;
3°. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en
4°. een aantoonbare impuls leveren aan het aanbod en de regionale spreiding van films in het commerciële en niet-commerciële bioscoopcircuit.
2. De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod op het terrein van de Nederlandse film, indien:
a. de instelling een beleid voert dat talentontwikkeling alsmede vernieuwing van en voor de filmsector bevordert;
b. de activiteiten van de instelling: 1°. een breed en divers publiek bereiken;
2°. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor uitwisseling tussen vakgenoten; en
3°. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden.
1°. een breed en divers publiek bereiken;
2°. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor uitwisseling tussen vakgenoten; en
3°. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden.
3. De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod op het terrein van de jeugdfilm, indien de activiteiten van de instelling voldoen aan de subonderdelen 1° tot en met 4° van onderdeel b van het eerste lid.
a. de instelling een beleid voert dat talentontwikkeling alsmede vernieuwing van en voor de filmsector bevordert;
b. de activiteiten van de instelling: 1°. een breed en divers publiek bereiken;
2°. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten;
3°. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en
4°. een aantoonbare impuls leveren aan het aanbod en de regionale spreiding van films in het commerciële en niet-commerciële bioscoopcircuit.
1°. een breed en divers publiek bereiken;
2°. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten;
3°. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en
4°. een aantoonbare impuls leveren aan het aanbod en de regionale spreiding van films in het commerciële en niet-commerciële bioscoopcircuit.
2. De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod op het terrein van de Nederlandse film, indien:
a. de instelling een beleid voert dat talentontwikkeling alsmede vernieuwing van en voor de filmsector bevordert;
b. de activiteiten van de instelling: 1°. een breed en divers publiek bereiken;
2°. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor uitwisseling tussen vakgenoten; en
3°. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden.
1°. een breed en divers publiek bereiken;
2°. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor uitwisseling tussen vakgenoten; en
3°. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden.
3. De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod op het terrein van de jeugdfilm, indien de activiteiten van de instelling voldoen aan de subonderdelen 1° tot en met 4° van onderdeel b van het eerste lid.