BWBR0027597
Geldig vanaf 2010-04-29
Artikel 2.15
Regeling op het specifiek cultuurbeleid
1. De subsidieontvanger dient na het eerste, tweede en derde jaar van de periode waarvoor subsidie is verleend, over het betreffende jaar, uiterlijk op 30 april van het daaropvolgende jaar een bestuursverslag, een jaarrekening en een beknopt kwantitatief activiteitenoverzicht in.
2. Het bestuursverslag geeft in ieder geval toelichting op:
a. het exploitatieresultaat van de subsidieontvanger;
b. de financiële positie van de subsidieontvanger, waarbij tevens wordt ingegaan op het beleggingsbeleid, voor zover de instelling of de gelieerde instelling beleggingen heeft; en
c. het al dan niet realiseren van de voorgenomen activiteiten.
3. Voorts bevat het bestuursverslag een beknopte inzichtelijke kwalitatieve beschrijving van de verrichte activiteiten in het afgelopen jaar.
4. Het beknopte kwantitatieve activiteitenoverzicht heeft betrekking op de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop het bestuursverslag betrekking heeft.
5. Op het bestuursverslag en het beknopte kwantitatieve activiteitenoverzicht is artikel 2.28van toepassing. Het bestuur van de subsidieontvanger ondertekent het bestuursverslag.
6. Op de jaarrekening zijn de artikelen 2.26, 2.27en 2.28van toepassing.
7. In afwijking van het eerste lid dient de ontvanger van een subsidie die wordt verstrekt op grond van artikel 3.29, na het eerste, tweede en derde jaar van de periode waarvoor subsidie is verleend, over het betreffende jaar, uiterlijk op 30 april van het daarop volgende jaar een activiteitenverslag en een financieel verslag in. De artikelen 5.11, derde lid, en 5.12zijn van overeenkomstige toepassing.
8. De indiening van de stukken, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op een door de minister te bepalen elektronische wijze en conform de voorschriften van de handboeken verantwoording cultuursubsidies die de minister op www.cultuursubsidie.nlbeschikbaar heeft gesteld.
2. Het bestuursverslag geeft in ieder geval toelichting op:
a. het exploitatieresultaat van de subsidieontvanger;
b. de financiële positie van de subsidieontvanger, waarbij tevens wordt ingegaan op het beleggingsbeleid, voor zover de instelling of de gelieerde instelling beleggingen heeft; en
c. het al dan niet realiseren van de voorgenomen activiteiten.
3. Voorts bevat het bestuursverslag een beknopte inzichtelijke kwalitatieve beschrijving van de verrichte activiteiten in het afgelopen jaar.
4. Het beknopte kwantitatieve activiteitenoverzicht heeft betrekking op de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop het bestuursverslag betrekking heeft.
5. Op het bestuursverslag en het beknopte kwantitatieve activiteitenoverzicht is artikel 2.28van toepassing. Het bestuur van de subsidieontvanger ondertekent het bestuursverslag.
6. Op de jaarrekening zijn de artikelen 2.26, 2.27en 2.28van toepassing.
7. In afwijking van het eerste lid dient de ontvanger van een subsidie die wordt verstrekt op grond van artikel 3.29, na het eerste, tweede en derde jaar van de periode waarvoor subsidie is verleend, over het betreffende jaar, uiterlijk op 30 april van het daarop volgende jaar een activiteitenverslag en een financieel verslag in. De artikelen 5.11, derde lid, en 5.12zijn van overeenkomstige toepassing.
8. De indiening van de stukken, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op een door de minister te bepalen elektronische wijze en conform de voorschriften van de handboeken verantwoording cultuursubsidies die de minister op www.cultuursubsidie.nlbeschikbaar heeft gesteld.