BWBR0027597
Geldig vanaf 2010-04-29
Artikel 3.14
Regeling op het specifiek cultuurbeleid
1. De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van dansrepertoire, indien de instelling:
a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium, dat meer dan 400 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;
b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;
c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van dans; en
d. een beleid voert dat talentontwikkeling bevordert.
2. De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste vijf instellingen, waarvan:
a. één instelling voorziet in een voor Nederland onderscheidend grootschalig repertoire op het gebied van ballet in een internationale context en zich richt op een groot landelijk publieksbereik;
b. één instelling voorziet in de verzorging van grootschalig, onderscheidend modern dansaanbod in een internationale context;
c. één instelling voorziet in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod en in de productie en distributie van jeugddans; en
d. twee instellingen die voorzien in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod.
3. Per kernpunt verstrekt de minister op grond van dit artikel aan niet meer dan één instelling subsidie.
a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium, dat meer dan 400 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;
b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;
c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van dans; en
d. een beleid voert dat talentontwikkeling bevordert.
2. De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste vijf instellingen, waarvan:
a. één instelling voorziet in een voor Nederland onderscheidend grootschalig repertoire op het gebied van ballet in een internationale context en zich richt op een groot landelijk publieksbereik;
b. één instelling voorziet in de verzorging van grootschalig, onderscheidend modern dansaanbod in een internationale context;
c. één instelling voorziet in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod en in de productie en distributie van jeugddans; en
d. twee instellingen die voorzien in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod.
3. Per kernpunt verstrekt de minister op grond van dit artikel aan niet meer dan één instelling subsidie.