BWBR0024452
Geldig vanaf 2009-11-11
Artikel 9.8
Tijdelijke energieregeling markt en innovatie
1. De Adviescommissie bioraffinage adviseert de Minister van LNV over de afwijzingsgronden, bedoeld in het tweede lid en artikel 23 b, c, d, e, f, en h van het Kaderbesluit EZ-subsidiesen de rangschikkingscriteria, bedoeld in het derde lid.
2. De Minister van LNV beslist afwijzend op een aanvraag voor zover hij van oordeel is dat:
a. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling;
b. het een subsidie-ontvanger betreft die een ondernemer is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
3. De Minister van LNV rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:
a. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer bijdraagt aan de ontwikkeling en demonstratie van bioraffinagefaciliteiten, die leiden tot meerdere vermarktbare producten;
b. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer bijdraagt aan een verduurzaming van de grondstofvoorziening voor de industrie (bijv. chemische) en de energiesector;
c. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer herhalings- en opschalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting;
d. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige nationale en internationale praktijk.
4. Voor de rangschikking weegt het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde criterium mee voor 35/100, het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde criterium voor 30/100, het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde criterium voor 20/100 en het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde criterium voor 15/100. Er geldt een drempel van 60 van de 100 punten.
2. De Minister van LNV beslist afwijzend op een aanvraag voor zover hij van oordeel is dat:
a. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling;
b. het een subsidie-ontvanger betreft die een ondernemer is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
3. De Minister van LNV rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:
a. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer bijdraagt aan de ontwikkeling en demonstratie van bioraffinagefaciliteiten, die leiden tot meerdere vermarktbare producten;
b. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer bijdraagt aan een verduurzaming van de grondstofvoorziening voor de industrie (bijv. chemische) en de energiesector;
c. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer herhalings- en opschalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting;
d. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige nationale en internationale praktijk.
4. Voor de rangschikking weegt het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde criterium mee voor 35/100, het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde criterium voor 30/100, het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde criterium voor 20/100 en het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde criterium voor 15/100. Er geldt een drempel van 60 van de 100 punten.