BWBR0024452
Geldig vanaf 2009-11-11
Artikel 10.8
Tijdelijke energieregeling markt en innovatie
1. De Adviescommissie demonstratieprojecten vergassing adviseert de Minister over de afwijzingsgronden bedoeld in artikel 23, onderdelen e, f en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidiesen de rangschikking, bedoeld in het derde lid.
2. In aanvulling op artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidiesbeslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 10, tweede lid, indien hij van oordeel is dat het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling.
3. De Minister rangschikt de aanvragen voor een subsidie als bedoeld in artikel 10, tweede lid, waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:
a. het project technologisch en niet-technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland;
b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in CO2 reductie of PJ per jaar op projectniveau;
c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting;
d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is, de slaagkans van het project groter is en de kennisoverdracht een meer structureel onderdeel is van de demonstratie;
e. een beter plan voorligt voor de opstartfase van de vergasser teneinde de vergassingstechnologie door te ontwikkelen tot een continue bedrijfsvoering van ten minste 5000 uur/jaar;
f. een beter marketingplan voorligt om de vergassingstechnologie uit te rollen in Nederland.
4. Voor de rangschikking wegen de criteria genoemd in het derde lid even zwaar.
2. In aanvulling op artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidiesbeslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 10, tweede lid, indien hij van oordeel is dat het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling.
3. De Minister rangschikt de aanvragen voor een subsidie als bedoeld in artikel 10, tweede lid, waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:
a. het project technologisch en niet-technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland;
b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in CO2 reductie of PJ per jaar op projectniveau;
c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting;
d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is, de slaagkans van het project groter is en de kennisoverdracht een meer structureel onderdeel is van de demonstratie;
e. een beter plan voorligt voor de opstartfase van de vergasser teneinde de vergassingstechnologie door te ontwikkelen tot een continue bedrijfsvoering van ten minste 5000 uur/jaar;
f. een beter marketingplan voorligt om de vergassingstechnologie uit te rollen in Nederland.
4. Voor de rangschikking wegen de criteria genoemd in het derde lid even zwaar.