BWBR0024452
Geldig vanaf 2009-11-11
Artikel 3.7
Tijdelijke energieregeling markt en innovatie
1. De Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten adviseert de Minister over de afwijzingsgronden, bedoeld in het tweede lid en artikel 23, onderdelen e, f en h van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in het derde lid.
2. In aanvulling op artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidiesbeslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien hij van oordeel is dat:
a. het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling;
b. van de sociaal-wetenschappelijke en economische effecten van het project onvoldoende blijk wordt gegeven.
3. De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:
a. het project technologisch en niet-technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland;
b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in CO2 reductie of PJ per jaar op projectniveau;
c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting;
d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is en de slaagkans van het project groter is.
4. Voor de rangschikking weegt het criterium genoemd in het derde lid, onderdeel a, dubbel ten opzichte van elk van de criteria, genoemd in het derde lid, onderdeel b tot en met d.
2. In aanvulling op artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidiesbeslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien hij van oordeel is dat:
a. het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling;
b. van de sociaal-wetenschappelijke en economische effecten van het project onvoldoende blijk wordt gegeven.
3. De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:
a. het project technologisch en niet-technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland;
b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in CO2 reductie of PJ per jaar op projectniveau;
c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting;
d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is en de slaagkans van het project groter is.
4. Voor de rangschikking weegt het criterium genoemd in het derde lid, onderdeel a, dubbel ten opzichte van elk van de criteria, genoemd in het derde lid, onderdeel b tot en met d.