BWBR0024452
Geldig vanaf 2009-11-11
Artikel 4.6
Tijdelijke energieregeling markt en innovatie
1. De Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten adviseert de Minister over de afwijzingsgronden, bedoeld in het tweede lid en artikel 23, onderdeel e, f en h van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikkingcriteria, bedoeld in het derde lid.
2. De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien hij van oordeel is dat:
a. het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling;
b. er onvoldoende van de sociaalwetenschappelijke en economische effecten van het project blijk wordt gegeven;
c. het een project betreft waarvoor gedurende de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend ook op grond van artikel 3.2 een aanvraag om subsidie kan worden ingediend.
3. De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:
a. het project technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland;
b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in absolute en relatieve CO2 reductie of PJ per jaar op projectniveau;
c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting;
d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is, de slaagkans van het project groter is en de kennisoverdracht een structureler onderdeel is van de demonstratie.
4. Voor de rangschikking weegt het criterium, genoemd in het derde lid, onderdeel a, eenmaal, en het gewogen gemiddelde van de criteria, genoemd in het derde lid, onderdeel b tot en met d twee maal.
2. De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien hij van oordeel is dat:
a. het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling;
b. er onvoldoende van de sociaalwetenschappelijke en economische effecten van het project blijk wordt gegeven;
c. het een project betreft waarvoor gedurende de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend ook op grond van artikel 3.2 een aanvraag om subsidie kan worden ingediend.
3. De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:
a. het project technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland;
b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in absolute en relatieve CO2 reductie of PJ per jaar op projectniveau;
c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting;
d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is, de slaagkans van het project groter is en de kennisoverdracht een structureler onderdeel is van de demonstratie.
4. Voor de rangschikking weegt het criterium, genoemd in het derde lid, onderdeel a, eenmaal, en het gewogen gemiddelde van de criteria, genoemd in het derde lid, onderdeel b tot en met d twee maal.