BWBR0024452
Geldig vanaf 2009-11-11
Artikel 6.6
Tijdelijke energieregeling markt en innovatie
1. Indien de activiteiten betrekking hebben op vloeibare biomassa of biobrandstoffen beslist de Minister, in aanvulling op artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, afwijzend op een aanvraag indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de vloeibare biomassa of biobrandstoffen voldoen, of na uitvoering van de activiteiten zullen voldoen, aan de duurzaamheidscriteria genoemd in artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG.
2. De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het meer bijdraagt aan de doelstellingen bedoeld in artikel 6.2. Bij de rangschikking worden de volgende criteria gehanteerd:
a. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen bedoeld in artikel 6.2, in relatie tot de totale subsidiabele kosten van het project;
b. de mate waarin het project bijdraagt aan verduurzaming van ketens voor biomassa in de zin van artikel 6.2, tweede lid, in relatie tot de resultaten van de beoordeling van de betreffende biomassaketen aan de hand van het Toetsingskader voor duurzame biomassa;
c. de mate waarin het project in de praktijk navolging kan vinden en kan worden opgeschaald, waarbij ook de navolging en opschaling leiden tot toepassing van duurzame biomassa in Nederland.
3. Voor de rangschikking wegen de criteria genoemd in het tweede lid even zwaar.
2. De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het meer bijdraagt aan de doelstellingen bedoeld in artikel 6.2. Bij de rangschikking worden de volgende criteria gehanteerd:
a. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen bedoeld in artikel 6.2, in relatie tot de totale subsidiabele kosten van het project;
b. de mate waarin het project bijdraagt aan verduurzaming van ketens voor biomassa in de zin van artikel 6.2, tweede lid, in relatie tot de resultaten van de beoordeling van de betreffende biomassaketen aan de hand van het Toetsingskader voor duurzame biomassa;
c. de mate waarin het project in de praktijk navolging kan vinden en kan worden opgeschaald, waarbij ook de navolging en opschaling leiden tot toepassing van duurzame biomassa in Nederland.
3. Voor de rangschikking wegen de criteria genoemd in het tweede lid even zwaar.