BWBR0018692
Geldig vanaf 2006-08-01
Artikel 3.7
Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel
1. De instructeur is didactisch bekwaam wat betreft kunde indien hij ten minste in staat is een kwalificatie-onderdeel leerbaar te maken voor een student of groep studenten en daarbij de verschillende studenten weet te begeleiden in hun leerproces.
2. Om te voldoen aan het eerste lid is het nodig dat de instructeur:
a. zijn les of andere taak zo vormgeeft dat deze aansluit op de beroepspraktijk en de les zo samenstelt dat deze voor studenten begrijpelijk en aansprekend is;
b. het leerdoel demonstreert en uitlegt, aansluitend bij het begripsniveau van studenten;
c. verschillende didactische werkvormen weet te hanteren;
d. opdrachten op heldere wijze formuleert, zodat studenten weten wat er van hen wordt verwacht, hoe de opdracht kan worden uitgevoerd of met welk doel;
e. doelmatig weet om te gaan met (digitale) leermiddelen en -materialen, met een elektronische leeromgeving en de beschikbare tijd;
f. zorgt voor een ordelijke en taakgerichte leeromgeving;
g. stimulerende vragen weet te stellen en opbouwende, gerichte kritiek te geven;
h. zowel samenwerking als zelfstandig werken bij studenten kan stimuleren;
i. tijdens de les de voortgang bijhoudt van de verschillende studenten, eventuele bijzonderheden signaleert en daarover de docent informeert;
j. periodiek met de docent de didactische aanpak en toegepaste werkvormen van de instructie evalueert en deze zo nodig bijstelt; en
k. bijdraagt aan pedagogisch-didactische evaluaties binnen de instelling en deze in afstemming met de docent benut voor zijn lesontwikkeling.
2. Om te voldoen aan het eerste lid is het nodig dat de instructeur:
a. zijn les of andere taak zo vormgeeft dat deze aansluit op de beroepspraktijk en de les zo samenstelt dat deze voor studenten begrijpelijk en aansprekend is;
b. het leerdoel demonstreert en uitlegt, aansluitend bij het begripsniveau van studenten;
c. verschillende didactische werkvormen weet te hanteren;
d. opdrachten op heldere wijze formuleert, zodat studenten weten wat er van hen wordt verwacht, hoe de opdracht kan worden uitgevoerd of met welk doel;
e. doelmatig weet om te gaan met (digitale) leermiddelen en -materialen, met een elektronische leeromgeving en de beschikbare tijd;
f. zorgt voor een ordelijke en taakgerichte leeromgeving;
g. stimulerende vragen weet te stellen en opbouwende, gerichte kritiek te geven;
h. zowel samenwerking als zelfstandig werken bij studenten kan stimuleren;
i. tijdens de les de voortgang bijhoudt van de verschillende studenten, eventuele bijzonderheden signaleert en daarover de docent informeert;
j. periodiek met de docent de didactische aanpak en toegepaste werkvormen van de instructie evalueert en deze zo nodig bijstelt; en
k. bijdraagt aan pedagogisch-didactische evaluaties binnen de instelling en deze in afstemming met de docent benut voor zijn lesontwikkeling.