BWBR0018692
Geldig vanaf 2006-08-01
Artikel 2.9
Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel
De leraar of docent is vakdidactisch bekwaam wat betreft kennis, indien hij ten minste:
a. kennis heeft van verschillende leer- en onderwijstheorieën die voor zijn onderwijspraktijk relevant zijn en hij die kan herkennen in het leren van zijn leerlingen;
b. verschillende methodes en criteria kent waarmee hij de bruikbaarheid ervan voor zijn leerlingen kan vaststellen;
c. verschillende manieren kent om binnen een methode te differentiëren en recht te doen aan verschillen tussen leerlingen;
d. de methode kan aanvullen en verrijken;
e. weet hoe een leerplan in elkaar zit en de criteria kent waaraan een goed leerplan moet voldoen;
f. kennis heeft van digitale leermaterialen en leermiddelen en de technische en pedagogisch-didactische mogelijkheden en beperkingen daarvan kent;
g. de verschillende didactische leer- en werkvormen en de psychologische achtergrond daarvan kent;
h. de criteria kent waarmee de bruikbaarheid daarvan voor zijn leerlingen kan worden vastgesteld;
i. verschillende doelen van evalueren en toetsen kent;
j. verschillende, bij de doelen als bedoeld in onderdeel i, passende vormen van observeren, toetsen en examineren kent;
k. toetsen kan ontwikkelen, toetsresultaten kan beoordelen, analyseren en interpreteren en de kwaliteit van toetsen en examens kan beoordelen;
l. bruikbare en betrouwbare voortgangsinformatie kan verzamelen en analyseren en op grond daarvan zijn onderwijs waar nodig kan bijstellen;
m. zich theoretisch en praktisch heeft verdiept in de vakdidactiek ten behoeve van het type onderwijs en het deel van het curriculum waarin hij werkzaam is.
a. kennis heeft van verschillende leer- en onderwijstheorieën die voor zijn onderwijspraktijk relevant zijn en hij die kan herkennen in het leren van zijn leerlingen;
b. verschillende methodes en criteria kent waarmee hij de bruikbaarheid ervan voor zijn leerlingen kan vaststellen;
c. verschillende manieren kent om binnen een methode te differentiëren en recht te doen aan verschillen tussen leerlingen;
d. de methode kan aanvullen en verrijken;
e. weet hoe een leerplan in elkaar zit en de criteria kent waaraan een goed leerplan moet voldoen;
f. kennis heeft van digitale leermaterialen en leermiddelen en de technische en pedagogisch-didactische mogelijkheden en beperkingen daarvan kent;
g. de verschillende didactische leer- en werkvormen en de psychologische achtergrond daarvan kent;
h. de criteria kent waarmee de bruikbaarheid daarvan voor zijn leerlingen kan worden vastgesteld;
i. verschillende doelen van evalueren en toetsen kent;
j. verschillende, bij de doelen als bedoeld in onderdeel i, passende vormen van observeren, toetsen en examineren kent;
k. toetsen kan ontwikkelen, toetsresultaten kan beoordelen, analyseren en interpreteren en de kwaliteit van toetsen en examens kan beoordelen;
l. bruikbare en betrouwbare voortgangsinformatie kan verzamelen en analyseren en op grond daarvan zijn onderwijs waar nodig kan bijstellen;
m. zich theoretisch en praktisch heeft verdiept in de vakdidactiek ten behoeve van het type onderwijs en het deel van het curriculum waarin hij werkzaam is.