BWBR0018692
Geldig vanaf 2006-08-01
Artikel 2.8
Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel
Vakdidactisch bekwaam betekent dat de leraar of docent:
a. de vakinhoud leerbaar maakt voor zijn leerlingen, in afstemming met zijn collega’s en passend bij het onderwijskundige beleid van zijn school;
b. de vakinhoud weet te vertalen in leerplannen of leertrajecten;
c. de vertaling van de vakinhoud doet met een professionele, ontwikkelingsgerichte werkwijze, waarin in ieder geval de volgende handelingselementen herkenbaar zijn: 1°. hij brengt een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen, de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen;
2°. bij de uitvoering van zijn onderwijs volgt hij de ontwikkeling van zijn leerlingen;
3°. hij toetst en analyseert regelmatig en adequaat of en hoe de leerdoelen gerealiseerd worden;
4°. hij stelt op basis van zijn analyse zo nodig zijn onderwijs didactisch bij;
5°. hij laat zijn onderwijs met de tijd mee gaan.
1°. hij brengt een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen, de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen;
2°. bij de uitvoering van zijn onderwijs volgt hij de ontwikkeling van zijn leerlingen;
3°. hij toetst en analyseert regelmatig en adequaat of en hoe de leerdoelen gerealiseerd worden;
4°. hij stelt op basis van zijn analyse zo nodig zijn onderwijs didactisch bij;
5°. hij laat zijn onderwijs met de tijd mee gaan.
a. de vakinhoud leerbaar maakt voor zijn leerlingen, in afstemming met zijn collega’s en passend bij het onderwijskundige beleid van zijn school;
b. de vakinhoud weet te vertalen in leerplannen of leertrajecten;
c. de vertaling van de vakinhoud doet met een professionele, ontwikkelingsgerichte werkwijze, waarin in ieder geval de volgende handelingselementen herkenbaar zijn: 1°. hij brengt een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen, de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen;
2°. bij de uitvoering van zijn onderwijs volgt hij de ontwikkeling van zijn leerlingen;
3°. hij toetst en analyseert regelmatig en adequaat of en hoe de leerdoelen gerealiseerd worden;
4°. hij stelt op basis van zijn analyse zo nodig zijn onderwijs didactisch bij;
5°. hij laat zijn onderwijs met de tijd mee gaan.
1°. hij brengt een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen, de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen;
2°. bij de uitvoering van zijn onderwijs volgt hij de ontwikkeling van zijn leerlingen;
3°. hij toetst en analyseert regelmatig en adequaat of en hoe de leerdoelen gerealiseerd worden;
4°. hij stelt op basis van zijn analyse zo nodig zijn onderwijs didactisch bij;
5°. hij laat zijn onderwijs met de tijd mee gaan.