BWBR0018622
Geldig vanaf 2005-09-01
Artikel 67
Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005
1. Een beheerder verwerft, voor de door hem beheerde beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wetgezamenlijk, niet meer dan twintig procent van de aandelen met stemrecht in één uitgevende instelling.
2. Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt niet belegd in meer dan:
a. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1°, zonder stemrecht van één uitgevende instelling;
b. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 2°, van één uitgevende instelling;
c. vijfentwintig procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 5°, van dezelfde beleggingsinstelling; of
d. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 4°, van één uitgevende instelling.
3. De in onderdelen b, c en d van het tweede lid genoemde begrenzingen hoeven niet in acht te worden genomen indien de brutowaarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 2° of 4°, of de nettowaarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 5º, op het tijdstip van verwerving, niet kan worden berekend.
2. Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt niet belegd in meer dan:
a. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1°, zonder stemrecht van één uitgevende instelling;
b. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 2°, van één uitgevende instelling;
c. vijfentwintig procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 5°, van dezelfde beleggingsinstelling; of
d. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 4°, van één uitgevende instelling.
3. De in onderdelen b, c en d van het tweede lid genoemde begrenzingen hoeven niet in acht te worden genomen indien de brutowaarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 2° of 4°, of de nettowaarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 5º, op het tijdstip van verwerving, niet kan worden berekend.