BWBR0018622
Geldig vanaf 2005-09-01
Artikel 64
Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005
1. De in de artikelen 62en 63, eerste lid, bedoelde financiële instrumenten worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de in artikel 61, derde lid, bedoelde begrenzing van veertig procent.
2. De overeenkomstig de artikelen 61, 62en 63, eerste lid, verrichte beleggingen in door één instelling uitgegeven financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 1° tot en met 4°, dan wel in deposito’s bij of financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 6° tot en met 9°, van die instelling, bedragen in geen geval samen meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling.
3. Voor de berekening van de in de artikelen 61, 62en 63, eerste lid, gestelde begrenzingen worden ondernemingen die tot een groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen, overeenkomstig de Zevende richtlijn nr. 83/349/EEGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PbEG L 193), of andere erkende internationale financiële verslagleggingsregels, als één instelling beschouwd, met dien verstande dat de beleggingen, bedoeld in artikel 61, eerste lid, eerste volzin, in de afzonderlijke ondernemingen die tot de groep behoren kunnen worden gecumuleerd tot ten hoogste twintig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling.
4. De activa van beleggingsinstellingen in wier rechten van deelneming de beleggingsinstelling belegt, worden voor het vaststellen van de in artikelen 61, 62, 63, eerste lid, en 64 bedoelde begrenzingen niet opgeteld bij de beleggingen van de beleggingsinstelling.
2. De overeenkomstig de artikelen 61, 62en 63, eerste lid, verrichte beleggingen in door één instelling uitgegeven financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 1° tot en met 4°, dan wel in deposito’s bij of financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 6° tot en met 9°, van die instelling, bedragen in geen geval samen meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling.
3. Voor de berekening van de in de artikelen 61, 62en 63, eerste lid, gestelde begrenzingen worden ondernemingen die tot een groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen, overeenkomstig de Zevende richtlijn nr. 83/349/EEGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PbEG L 193), of andere erkende internationale financiële verslagleggingsregels, als één instelling beschouwd, met dien verstande dat de beleggingen, bedoeld in artikel 61, eerste lid, eerste volzin, in de afzonderlijke ondernemingen die tot de groep behoren kunnen worden gecumuleerd tot ten hoogste twintig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling.
4. De activa van beleggingsinstellingen in wier rechten van deelneming de beleggingsinstelling belegt, worden voor het vaststellen van de in artikelen 61, 62, 63, eerste lid, en 64 bedoelde begrenzingen niet opgeteld bij de beleggingen van de beleggingsinstelling.