BWBR0018622
Geldig vanaf 2005-09-01
Artikel 81
Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005
1. Onze Minister kan, ter uitvoering van artikel 17c, eerste lid, van de wet, een staat aanwijzen als staat waar het toezicht in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wetbeoogt te beschermen indien:
a. de in die staat geldende regels voor het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling en het toezicht op de naleving daarvan gelijkwaardig zijn aan het bij of krachtens de wet bepaalde, met betrekking tot: 1°. deskundigheid en betrouwbaarheid;
2°. financiële waarborgen;
3°. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering;
4°. aan de deelnemers in de beleggingsinstelling, de toezichthouder en aan het publiek te verstrekken informatie; en
5°. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de in die staat gestelde regels;
1°. deskundigheid en betrouwbaarheid;
2°. financiële waarborgen;
3°. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering;
4°. aan de deelnemers in de beleggingsinstelling, de toezichthouder en aan het publiek te verstrekken informatie; en
5°. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de in die staat gestelde regels;
b. de samenwerking tussen de toezichthouder en het bevoegde gezag in die staat is gewaarborgd; en
c. voor het bevoegde gezag in die staat regels gelden die gelijkwaardig zijn aan die in de artikelen 26 tot en met 27d van de wet.
2. Indien Onze Minister een verzoek van een staat, om te beoordelen of in die staat in voldoende mate waarborgen worden geboden ten aanzien van de belangen die de wetbeoogt te beschermen in behandeling neemt, vraagt Onze Minister advies aan de toezichthouder alvorens een besluit te nemen over het verzoek.
3. Het advies aan Onze Minister heeft betrekking op de vraag of de regels in de betrokken staat en het toezicht dat op de naleving daarvan wordt uitgeoefend in de betrokken staat gelijkwaardig zijn aan het bij en krachtens de artikelen 5en 12 van de wetbepaalde.
4. Onze Minister verschaft de toezichthouder alle informatie en middelen die nodig zijn om een advies te geven over het verzoek van de desbetreffende staat.
5. Onze Minister stelt als voorwaarde bij het toewijzen van het verzoek dat de betrokken staat Onze Minister in kennis stelt van wijzigingen in de regels en in het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld in het eerste lid.
6. Onze Minister verzoekt de toezichthouder in voorkomend geval om aanvullend advies.
7. Onze Minister kan indien daartoe aanleiding is de aanwijzing tot staat waar het toezicht in voldoende mate waarborgen biedt intrekken.
a. de in die staat geldende regels voor het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling en het toezicht op de naleving daarvan gelijkwaardig zijn aan het bij of krachtens de wet bepaalde, met betrekking tot: 1°. deskundigheid en betrouwbaarheid;
2°. financiële waarborgen;
3°. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering;
4°. aan de deelnemers in de beleggingsinstelling, de toezichthouder en aan het publiek te verstrekken informatie; en
5°. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de in die staat gestelde regels;
1°. deskundigheid en betrouwbaarheid;
2°. financiële waarborgen;
3°. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering;
4°. aan de deelnemers in de beleggingsinstelling, de toezichthouder en aan het publiek te verstrekken informatie; en
5°. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de in die staat gestelde regels;
b. de samenwerking tussen de toezichthouder en het bevoegde gezag in die staat is gewaarborgd; en
c. voor het bevoegde gezag in die staat regels gelden die gelijkwaardig zijn aan die in de artikelen 26 tot en met 27d van de wet.
2. Indien Onze Minister een verzoek van een staat, om te beoordelen of in die staat in voldoende mate waarborgen worden geboden ten aanzien van de belangen die de wetbeoogt te beschermen in behandeling neemt, vraagt Onze Minister advies aan de toezichthouder alvorens een besluit te nemen over het verzoek.
3. Het advies aan Onze Minister heeft betrekking op de vraag of de regels in de betrokken staat en het toezicht dat op de naleving daarvan wordt uitgeoefend in de betrokken staat gelijkwaardig zijn aan het bij en krachtens de artikelen 5en 12 van de wetbepaalde.
4. Onze Minister verschaft de toezichthouder alle informatie en middelen die nodig zijn om een advies te geven over het verzoek van de desbetreffende staat.
5. Onze Minister stelt als voorwaarde bij het toewijzen van het verzoek dat de betrokken staat Onze Minister in kennis stelt van wijzigingen in de regels en in het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld in het eerste lid.
6. Onze Minister verzoekt de toezichthouder in voorkomend geval om aanvullend advies.
7. Onze Minister kan indien daartoe aanleiding is de aanwijzing tot staat waar het toezicht in voldoende mate waarborgen biedt intrekken.