BWBR0018622
Geldig vanaf 2005-09-01
Artikel 61
Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005
1. Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt tot ten hoogste tien procent belegd in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, uitgegeven door één uitgevende instelling. Een beleggingsinstelling belegt niet meer dan twintig procent van het beheerde vermogen in deposito’s bij één instelling.
2. Het tegenpartijrisico van een beleggingsinstelling bij een transactie in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, bedraagt niet meer dan:
a. tien procent van haar vermogen wanneer de tegenpartij een kredietinstelling is; of
b. vijf procent van haar vermogen, in andere gevallen.
3. De totale waarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die de beleggingsinstelling houdt in uitgevende instellingen waarin zij per instelling voor meer dan vijf procent belegt, bedraagt niet meer dan veertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito’s en transacties in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, bij onderscheidenlijk met financiële instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.
4. Onverminderd de in het eerste en tweede lid bepaalde individuele begrenzingen wordt het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling tot ten hoogste twintig procent belegd in één instelling in een combinatie van:
a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die door die instelling zijn uitgegeven;
b. deposito’s bij die instelling; of
c. risico’s ten gevolge van transacties in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs, of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, met betrekking tot die instelling.
5. Bij de berekening van de door de beleggingsinstelling gelopen risico’s bij beleggingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt het risico bepaald aan de hand van het maximale verlies voor de beleggingsinstelling wanneer een tegenpartij in gebreke blijft. De toezichthouder kan nadere regels stellen over de berekening van het tegenpartijrisico en de daarbij in aanmerking te nemen zekerheden als beperking van het door de beleggingsinstelling gelopen tegenpartijrisico.
2. Het tegenpartijrisico van een beleggingsinstelling bij een transactie in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, bedraagt niet meer dan:
a. tien procent van haar vermogen wanneer de tegenpartij een kredietinstelling is; of
b. vijf procent van haar vermogen, in andere gevallen.
3. De totale waarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die de beleggingsinstelling houdt in uitgevende instellingen waarin zij per instelling voor meer dan vijf procent belegt, bedraagt niet meer dan veertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito’s en transacties in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, bij onderscheidenlijk met financiële instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.
4. Onverminderd de in het eerste en tweede lid bepaalde individuele begrenzingen wordt het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling tot ten hoogste twintig procent belegd in één instelling in een combinatie van:
a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die door die instelling zijn uitgegeven;
b. deposito’s bij die instelling; of
c. risico’s ten gevolge van transacties in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs, of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, met betrekking tot die instelling.
5. Bij de berekening van de door de beleggingsinstelling gelopen risico’s bij beleggingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt het risico bepaald aan de hand van het maximale verlies voor de beleggingsinstelling wanneer een tegenpartij in gebreke blijft. De toezichthouder kan nadere regels stellen over de berekening van het tegenpartijrisico en de daarbij in aanmerking te nemen zekerheden als beperking van het door de beleggingsinstelling gelopen tegenpartijrisico.