BWBR0014771
Geldig vanaf 2003-04-01
Artikel 5.1
Verlofspaarregeling rijkspersoneel
1. Het volledige spaartegoed op de verlofspaarrekening wordt aan het bevoegd gezag uitgekeerd op een door dat gezag aangegeven wijze:
a. in geval van overlijden van de ambtenaar;
b. in geval van ontslag van de ambtenaar.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing indien de ambtenaar voor de datum van het ontslag aan het bevoegd gezag verzoekt om het spaartegoed in te brengen in de verlofspaarregeling van de werkgever bij wie de ambtenaar in dienst zal treden. Dit verzoek wordt ingewilligd indien voor datum van ontslag de ambtenaar een verklaring van de nieuwe werkgever overlegt, waaruit blijkt dat de nieuwe werkgever:
a. de ambtenaar accepteert als deelnemer aan de verlofspaarregeling en
b. instemt met de inbreng van het spaartegoed uit de eerdere dienstbetrekking.
3. Het spaartegoed wordt na inhouding van loonheffing door of namens het bevoegd gezag uitgekeerd:
a. in geval van het eerste lid, onder a, aan de erfgenamen van de ambtenaar;
b. in geval van het eerste lid, onder b, aan de ambtenaar.
4. De uitkering, bedoeld in het derde lid, onder a, wordt aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. De uitkering, bedoeld in het derde lid, onder b, wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.
a. in geval van overlijden van de ambtenaar;
b. in geval van ontslag van de ambtenaar.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing indien de ambtenaar voor de datum van het ontslag aan het bevoegd gezag verzoekt om het spaartegoed in te brengen in de verlofspaarregeling van de werkgever bij wie de ambtenaar in dienst zal treden. Dit verzoek wordt ingewilligd indien voor datum van ontslag de ambtenaar een verklaring van de nieuwe werkgever overlegt, waaruit blijkt dat de nieuwe werkgever:
a. de ambtenaar accepteert als deelnemer aan de verlofspaarregeling en
b. instemt met de inbreng van het spaartegoed uit de eerdere dienstbetrekking.
3. Het spaartegoed wordt na inhouding van loonheffing door of namens het bevoegd gezag uitgekeerd:
a. in geval van het eerste lid, onder a, aan de erfgenamen van de ambtenaar;
b. in geval van het eerste lid, onder b, aan de ambtenaar.
4. De uitkering, bedoeld in het derde lid, onder a, wordt aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. De uitkering, bedoeld in het derde lid, onder b, wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.