BWBR0014771
Geldig vanaf 2003-04-01
Artikel 3.1.1
Verlofspaarregeling rijkspersoneel
1. Uiterlijk acht maanden voor ingang van de spaarverlofperiode dient de ambtenaar een aanvraag in bij het bevoegd gezag om toekenning van spaarverlof.
2. In afwijking van het vorige lid kan het bevoegd gezag in daartoe aanleiding gevende gevallen toestaan dat een kortere aanvraagtermijn in acht wordt genomen.
3. In de aanvraag geeft de ambtenaar aan op welke datum de spaarverlofperiode ingaat en hoeveel kalendermaanden spaarverlof wordt opgenomen.
4. De aanvraag gaat vergezeld van een schriftelijke instemming van de ambtenaar met een maandelijkse uitkering ten laste van diens spaartegoed op de verlofspaarrekening aan het bevoegd gezag op een door dat gezag aangegeven wijze, welke uitkering gelijk is aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid.
5. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt een formulier vast voor de aanvraag.
2. In afwijking van het vorige lid kan het bevoegd gezag in daartoe aanleiding gevende gevallen toestaan dat een kortere aanvraagtermijn in acht wordt genomen.
3. In de aanvraag geeft de ambtenaar aan op welke datum de spaarverlofperiode ingaat en hoeveel kalendermaanden spaarverlof wordt opgenomen.
4. De aanvraag gaat vergezeld van een schriftelijke instemming van de ambtenaar met een maandelijkse uitkering ten laste van diens spaartegoed op de verlofspaarrekening aan het bevoegd gezag op een door dat gezag aangegeven wijze, welke uitkering gelijk is aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid.
5. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt een formulier vast voor de aanvraag.