BWBR0014771
Geldig vanaf 2003-04-01
Artikel 2.1.6
Verlofspaarregeling rijkspersoneel
1. Het bevoegd gezag kent uiterlijk binnen 30 kalenderdagen na de datum waarop deze is ingediend de aanvraag toe, tenzij het tweede lid van toepassing is.
2. De aanvraag wordt geweigerd indien blijkt dat het spaartegoed, vermeerderd met:
a. het spaartegoed uit een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen buiten de sector Rijk;
b. de waarde van de totale compensatie die is gespaard op grond van artikel 1, tweede lid, derde volzin, van het Besluit van 25 november 1996, kenmerk AD96/U1026, Staatscourant, 1996/233;
c. de waarde van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging als bedoeld in artikel 3.4.1., op 31 december van het kalenderjaar, voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de geldelijke voorziening voor spaarverlof zal worden gespaard, gelijk is aan of meer bedraagt dan twaalf keer de berekeningsgrondslag over die maand december.
3. De waarde van de compensatie en het buitengewoon verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend op basis van het salaris per uur dat de ambtenaar geniet in de maand december van het kalenderjaar, voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de geldelijke voorziening voor spaarverlof zal worden gespaard.
4. Een eenmaal toegekende aanvraag kan niet meer worden gewijzigd.
5. Binnen 14 kalenderdagen na de datum waarop deze is toegekend zendt het bevoegd gezag de aanvraag toe aan de spaarinstelling.
2. De aanvraag wordt geweigerd indien blijkt dat het spaartegoed, vermeerderd met:
a. het spaartegoed uit een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen buiten de sector Rijk;
b. de waarde van de totale compensatie die is gespaard op grond van artikel 1, tweede lid, derde volzin, van het Besluit van 25 november 1996, kenmerk AD96/U1026, Staatscourant, 1996/233;
c. de waarde van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging als bedoeld in artikel 3.4.1., op 31 december van het kalenderjaar, voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de geldelijke voorziening voor spaarverlof zal worden gespaard, gelijk is aan of meer bedraagt dan twaalf keer de berekeningsgrondslag over die maand december.
3. De waarde van de compensatie en het buitengewoon verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend op basis van het salaris per uur dat de ambtenaar geniet in de maand december van het kalenderjaar, voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de geldelijke voorziening voor spaarverlof zal worden gespaard.
4. Een eenmaal toegekende aanvraag kan niet meer worden gewijzigd.
5. Binnen 14 kalenderdagen na de datum waarop deze is toegekend zendt het bevoegd gezag de aanvraag toe aan de spaarinstelling.