BWBR0014771
Geldig vanaf 2003-04-01
Artikel 2.2.2
Verlofspaarregeling rijkspersoneel
1. Over het spaartegoed wordt alleen beschikt:
a. ten behoeve van de uitbetaling van een vergoeding tijdens de spaarverlofperiode;
b. ten behoeve van het omzetten van het spaartegoed in een aanspraak ingevolge artikel 16.6 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, mits na de omzetting de aanspraak nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde grenzen.
2. Het spaartegoed op de verlofspaarrekening mag op geen enkele wijze worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid worden aangeboden.
3. Indien in strijd met deze regeling geheel of gedeeltelijk wordt beschikt over het spaartegoed op de verlofspaarrekening, wordt de gehele aanspraak op het spaartegoed aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.
a. ten behoeve van de uitbetaling van een vergoeding tijdens de spaarverlofperiode;
b. ten behoeve van het omzetten van het spaartegoed in een aanspraak ingevolge artikel 16.6 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, mits na de omzetting de aanspraak nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde grenzen.
2. Het spaartegoed op de verlofspaarrekening mag op geen enkele wijze worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid worden aangeboden.
3. Indien in strijd met deze regeling geheel of gedeeltelijk wordt beschikt over het spaartegoed op de verlofspaarrekening, wordt de gehele aanspraak op het spaartegoed aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.