BWBR0014771
Geldig vanaf 2003-04-01
Artikel 2.1.3
Verlofspaarregeling rijkspersoneel
1. Ten behoeve van een geldelijke voorziening tijdens de spaarverlofperiode kan de ambtenaar met inachtneming van het tweede lid en artikel 2.1.2., eerste lid, de volgende bronnen inzetten:
a. zijn aanspraak op salaris;
b. zijn aanspraak op vakantie-uitkering;
c. zijn aanspraak op een vergoeding voor meer gewerkte uren als bedoeld in artikel 21c, derde lid, van het ARAR;
d. zijn jaarlijkse aanspraak op vakantie, verminderd met: 108 uren vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde arbeidsduurfactor. De uitkomst wordt zo nodig afgerond naar boven op hele uren.
2. De bronnen genoemd in het eerste lid, onder c en d, worden omgezet in een geldbedrag, berekend op basis van het salaris per uur dat de ambtenaar geniet op de peildatum.
a. zijn aanspraak op salaris;
b. zijn aanspraak op vakantie-uitkering;
c. zijn aanspraak op een vergoeding voor meer gewerkte uren als bedoeld in artikel 21c, derde lid, van het ARAR;
d. zijn jaarlijkse aanspraak op vakantie, verminderd met: 108 uren vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde arbeidsduurfactor. De uitkomst wordt zo nodig afgerond naar boven op hele uren.
2. De bronnen genoemd in het eerste lid, onder c en d, worden omgezet in een geldbedrag, berekend op basis van het salaris per uur dat de ambtenaar geniet op de peildatum.