BWBR0010092
Geldig vanaf 1993-01-01
Artikel 6.3
Voorschrift informatieverstrekking 1993 (VIV 1993)
6.3.1. Een ieder is verplicht van de zeer ernstige misdrijven als genoemd in artikel 160 Sv aangifte te doen bij de politie. De belastingambtenaar is voor het doen van aangifte op grond van artikel 160 Sv ontheven van de geheimhoudingsplicht. Dergelijke ernstige misdrijven zijn bijvoorbeeld misdrijven tegen de staat of de koninklijke waardigheid, tegen het leven gericht of mensenroof of verkrachting.
6.3.2. In de gevallen genoemd in artikel 162, eerste lid, WvSvbestaat voor een ambtenaar de verplichting om aangifte te doen bij de officier van justitie of één van zijn hulpofficieren van bepaalde misdrijven (ambtsmisdrijven). Dit is de zogenaamde actieve aangifteplicht. Eén van de voorbeelden van een ambtsmisdrijf is het aannemen van steekpenningen door een ambtenaar ( art. 362 WvSr). Hierbij is van belang dat in het strafrecht ,,de ambtenaar” ruim is omschreven (zie art. 84 Sr) en ook verkozen personen daaronder worden begrepen.
Als een ambtenaar van de Belastingdienst bij het vervullen van zijn taak het vermoeden heeft of kennis krijgt van een dergelijk misdrijf, legt hij de zaak, door tussenkomst van het hoofd van de eenheid, met advies voor aan het hoofd van de FIOD. Het hoofd van de FIOD gaat over tot het doen van aangifte als ook hij dat misdrijf vermoedt.
6.3.3. Een ieder is, op grond van artikel 161 van het WvSvbevoegd, maar niet verplicht, bij de politie aangifte te doen van andere strafbare feiten. In het geval een ambtenaar van de Belastingdienst in de uitoefening van zijn functie van een strafbaar feit niet vallend onder de artikelen 160of 162 van het WvSvop de hoogte komt, legt hij die zaak door tussenkomst van het hoofd van de eenheid voor aan:
1. het hoofd van de FIOD , als het feit gepleegd is door een ambtenaar;
2. de contactambtenaar in de overige gevallen.
Het hoofd van de FIOD, respectievelijk de contactambtenaar, doet van de volgende delicten in ieder geval aangifte:
- delicten in de vermogensrechtelijke sfeer (diefstal, oplichting, verduistering, heling e.d.) wanneer het met het delict gemoeide financiële belang een bedrag van ƒ 50.000,- te boven gaat.
- delicten die een (in)directe bedreiging vormen voor de (geestelijke) volksgezondheid en die een bedrijfsmatig karakter hebben. Van het produceren of verhandelen van kinderporno en het bedrijfsmatig kweken van hennep of de handel in harddrugs wordt in alle gevallen aangifte gedaan.
- paspoortfraude.
- het aannemen of betalen van steekpenningen, mits er sprake is van een misdrijf in de zin van het WvSr.
- bedreiging of mishandeling van belastingdienstambtenaren.
- misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door de Nederlandse strafrechter kan worden veroordeeld en waarvoor in de belastingaangifte een aftrekpost is opgevoerd, die, na een onherroepelijke veroordeling dan wel transactie, op grond van de aftrekbeperking genoemd in de artikelen 8a, eerste lid, onderdelen c of d, en 36, eerste lid, onderdelen m of n van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, kan worden geweigerd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het bedrijfsmatig kweken van hennep.
Ten aanzien van andere delicten beslist het hoofd van de FIOD, respectievelijk de contactambtenaar, of aangifte wordt gedaan. In daartoe aanleiding gevende gevallen (zie hoofdstuk 2.2.2) legt het hoofd van de FIOD c.q. de contactambtenaar de zaak voor aan de Directeur AFZ, alvorens aangifte te doen.
6.3.4. Als een ambtenaar van de Belastingdienst bij het vervullen van zijn taak het vermoeden heeft of kennis krijgt van een mogelijke overtreding van disciplinaire en/of strafrechtelijke normen door een collega, wordt gehandeld conform de “Gedragslijn bij strafbare feiten begaan door ambtenaren van de Belastingdienst in functie”, beschikking van 10 mei 1993, nr. AFZ93/3732 (boekwerk Belastingen Algemeen nr. 18.00.10).
6.3.2. In de gevallen genoemd in artikel 162, eerste lid, WvSvbestaat voor een ambtenaar de verplichting om aangifte te doen bij de officier van justitie of één van zijn hulpofficieren van bepaalde misdrijven (ambtsmisdrijven). Dit is de zogenaamde actieve aangifteplicht. Eén van de voorbeelden van een ambtsmisdrijf is het aannemen van steekpenningen door een ambtenaar ( art. 362 WvSr). Hierbij is van belang dat in het strafrecht ,,de ambtenaar” ruim is omschreven (zie art. 84 Sr) en ook verkozen personen daaronder worden begrepen.
Als een ambtenaar van de Belastingdienst bij het vervullen van zijn taak het vermoeden heeft of kennis krijgt van een dergelijk misdrijf, legt hij de zaak, door tussenkomst van het hoofd van de eenheid, met advies voor aan het hoofd van de FIOD. Het hoofd van de FIOD gaat over tot het doen van aangifte als ook hij dat misdrijf vermoedt.
6.3.3. Een ieder is, op grond van artikel 161 van het WvSvbevoegd, maar niet verplicht, bij de politie aangifte te doen van andere strafbare feiten. In het geval een ambtenaar van de Belastingdienst in de uitoefening van zijn functie van een strafbaar feit niet vallend onder de artikelen 160of 162 van het WvSvop de hoogte komt, legt hij die zaak door tussenkomst van het hoofd van de eenheid voor aan:
1. het hoofd van de FIOD , als het feit gepleegd is door een ambtenaar;
2. de contactambtenaar in de overige gevallen.
Het hoofd van de FIOD, respectievelijk de contactambtenaar, doet van de volgende delicten in ieder geval aangifte:
- delicten in de vermogensrechtelijke sfeer (diefstal, oplichting, verduistering, heling e.d.) wanneer het met het delict gemoeide financiële belang een bedrag van ƒ 50.000,- te boven gaat.
- delicten die een (in)directe bedreiging vormen voor de (geestelijke) volksgezondheid en die een bedrijfsmatig karakter hebben. Van het produceren of verhandelen van kinderporno en het bedrijfsmatig kweken van hennep of de handel in harddrugs wordt in alle gevallen aangifte gedaan.
- paspoortfraude.
- het aannemen of betalen van steekpenningen, mits er sprake is van een misdrijf in de zin van het WvSr.
- bedreiging of mishandeling van belastingdienstambtenaren.
- misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door de Nederlandse strafrechter kan worden veroordeeld en waarvoor in de belastingaangifte een aftrekpost is opgevoerd, die, na een onherroepelijke veroordeling dan wel transactie, op grond van de aftrekbeperking genoemd in de artikelen 8a, eerste lid, onderdelen c of d, en 36, eerste lid, onderdelen m of n van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, kan worden geweigerd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het bedrijfsmatig kweken van hennep.
Ten aanzien van andere delicten beslist het hoofd van de FIOD, respectievelijk de contactambtenaar, of aangifte wordt gedaan. In daartoe aanleiding gevende gevallen (zie hoofdstuk 2.2.2) legt het hoofd van de FIOD c.q. de contactambtenaar de zaak voor aan de Directeur AFZ, alvorens aangifte te doen.
6.3.4. Als een ambtenaar van de Belastingdienst bij het vervullen van zijn taak het vermoeden heeft of kennis krijgt van een mogelijke overtreding van disciplinaire en/of strafrechtelijke normen door een collega, wordt gehandeld conform de “Gedragslijn bij strafbare feiten begaan door ambtenaren van de Belastingdienst in functie”, beschikking van 10 mei 1993, nr. AFZ93/3732 (boekwerk Belastingen Algemeen nr. 18.00.10).