BWBR0010092
Geldig vanaf 1993-01-01
Artikel 4.4
Voorschrift informatieverstrekking 1993 (VIV 1993)
4.4.1. Het uitgangspunt is dat uitsluitend schriftelijke verzoeken om informatie in behandeling worden genomen. Het is in uitzonderingssituaties mogelijk dat een bestuursorgaan telefonisch informatie vraagt, die telefonisch moet worden verstrekt. Het is dan noodzakelijk dat er op de eenheid zekerheid bestaat dat de informatie daadwerkelijk terecht komt bij het verzoekende bestuursorgaan. Dit kan door terug te bellen naar een centraal nummer van het bestuursorgaan.
Een verzoek om informatie aan een eenheid moet betrekking hebben op een specifieke aangelegenheid. In elk verzoek om informatie moet duidelijk aangegeven zijn welk bestuursorgaan om informatie vraagt en voor welk doel de informatie gebruikt zal worden. De gevraagde informatie kan in zijn algemeenheid slechts dienen voor de verificatie van de gegevens die bij het andere bestuursorgaan reeds bekend zijn (zie hoofdstuk 3.1.). Bovendien moet vaststaan dat geheimhouding van de informatie bij het informatie-ontvangende bestuursorgaan is gewaarborgd. De eenheid vraagt om een nadere toelichting indien deze gegevens ontbreken, dan wel niet voldoende duidelijk zijn. Het verzoek wordt afgewezen, met een verwijzing naar de fiscale geheimhoudingsplicht, als die nadere gegevens uitblijven of de toelichting onvoldoende duidelijk maakt voor welk doel de informatie wordt gevraagd.
Het incidenteel verstrekken van informatie door de eenheid mag geen structureel karakter krijgen. Uit organisatorisch oogpunt wordt daar op de eenheid uitdrukkelijk voor gewaakt. Verzoeken die naar men vermoedt over structurele informatieverstrekking gaan worden voorgelegd aan de directeur.
4.4.2. Het hoofd van de eenheid houdt bij de beoordeling van een verzoek rekening met het tijdsbeslag op de Belastingdienst. Het is van belang dat acht wordt geslagen op de omvang van de werkzaamheden die gepaard gaan met het verstrekken van informatie. Het verzoek om informatie mag in beginsel geen speciaal daarop gericht onderzoek van de Belastingdienst tot gevolg hebben. Indien het verzoek volgens het hoofd van een eenheid leidt tot een onevenredig groot beslag op de eenheid, legt hij het verzoek voor aan de directeur, waarna de directeur beslist of tot informatieverstrekking wordt overgegaan.
4.4.3. Het hoofd van de eenheid beoordeelt bij elk verzoek eerst of het verzoekende bestuursorgaan zelf de informatie elders kan verkrijgen. De verzoeker zal in de eerste plaats zelf maatregelen moeten nemen om de benodigde informatie te verzamelen. Medewerking van de Belastingdienst komt pas aan de orde als verzoeker geen reële andere middelen ten dienste staan.
4.4.4. Aan een verzoek om informatie wordt niet of slechts ten dele voldaan indien er naar het oordeel van het hoofd van de eenheid meer wordt gevraagd dan nodig is voor het doel waarvoor de informatie wordt gevraagd.
Een verzoek om informatie aan een eenheid moet betrekking hebben op een specifieke aangelegenheid. In elk verzoek om informatie moet duidelijk aangegeven zijn welk bestuursorgaan om informatie vraagt en voor welk doel de informatie gebruikt zal worden. De gevraagde informatie kan in zijn algemeenheid slechts dienen voor de verificatie van de gegevens die bij het andere bestuursorgaan reeds bekend zijn (zie hoofdstuk 3.1.). Bovendien moet vaststaan dat geheimhouding van de informatie bij het informatie-ontvangende bestuursorgaan is gewaarborgd. De eenheid vraagt om een nadere toelichting indien deze gegevens ontbreken, dan wel niet voldoende duidelijk zijn. Het verzoek wordt afgewezen, met een verwijzing naar de fiscale geheimhoudingsplicht, als die nadere gegevens uitblijven of de toelichting onvoldoende duidelijk maakt voor welk doel de informatie wordt gevraagd.
Het incidenteel verstrekken van informatie door de eenheid mag geen structureel karakter krijgen. Uit organisatorisch oogpunt wordt daar op de eenheid uitdrukkelijk voor gewaakt. Verzoeken die naar men vermoedt over structurele informatieverstrekking gaan worden voorgelegd aan de directeur.
4.4.2. Het hoofd van de eenheid houdt bij de beoordeling van een verzoek rekening met het tijdsbeslag op de Belastingdienst. Het is van belang dat acht wordt geslagen op de omvang van de werkzaamheden die gepaard gaan met het verstrekken van informatie. Het verzoek om informatie mag in beginsel geen speciaal daarop gericht onderzoek van de Belastingdienst tot gevolg hebben. Indien het verzoek volgens het hoofd van een eenheid leidt tot een onevenredig groot beslag op de eenheid, legt hij het verzoek voor aan de directeur, waarna de directeur beslist of tot informatieverstrekking wordt overgegaan.
4.4.3. Het hoofd van de eenheid beoordeelt bij elk verzoek eerst of het verzoekende bestuursorgaan zelf de informatie elders kan verkrijgen. De verzoeker zal in de eerste plaats zelf maatregelen moeten nemen om de benodigde informatie te verzamelen. Medewerking van de Belastingdienst komt pas aan de orde als verzoeker geen reële andere middelen ten dienste staan.
4.4.4. Aan een verzoek om informatie wordt niet of slechts ten dele voldaan indien er naar het oordeel van het hoofd van de eenheid meer wordt gevraagd dan nodig is voor het doel waarvoor de informatie wordt gevraagd.