BWBR0010092
Geldig vanaf 1993-01-01
Artikel 6.2
Voorschrift informatieverstrekking 1993 (VIV 1993)
6.2.1. Een ambtenaar die wordt opgeroepen om als getuige mededeling te doen over aangelegenheden die hem bekend zijn geworden bij de uitoefening van zijn werkzaamheden, moet voor de rechter verschijnen. Als hem over hetgeen hem wordt gevraagd geheimhouding is opgelegd, moet hij zich in een aantal gevallen met een beroep op zijn wettelijke plicht tot geheimhouding verschonen. Het verschoningsrecht is neergelegd in artikel 191 van het WvBRven artikel 218 van het WvSv. Deze artikelen zijn opgenomen in bijlage 5.
6.2.2. In strafzaken die enkel het gevolg zijn van overtredingen van de belastingwetgeving of een andere wet waarvoor ambtenaren van de Belastingdienst bevoegd zijn (zie het boekwerk Niet-Fiscale Douanevoorschriften) geldt dat het afleggen van een getuigenis valt onder de uitvoering van die wet. De ambtenaar kan zich niet verschonen en kan zonder ontheffing een getuigenverklaring afleggen.
Bij oproeping als getuige of deskundige in een strafzaak of administratiefrechtelijke zaak die niet alleen het gevolg is van een overtreding van de belastingwetgeving of een andere wet waarvoor de Belastingdienst bevoegd is, beslist de contactambtenaar of de ambtenaar zich al dan niet moet beroepen op zijn verschoningsrecht. In het geval een FIOD-medewerker als getuige of deskundige wordt opgeroepen beslist het hoofd van de desbetreffende FIOD-vestiging.
Opmerking verdient in dit verband dat geen beroep op het verschoningsrecht moet worden gedaan als het een zaak betreft waarvan ingevolge het bepaalde in hoofdstuk 6.3aangifte is gedaan.
6.2.3. Door de Hoge Raad is in 1991 (beschikking van 8 november 1991, NJ 1992, 277) uitgemaakt dat een ambtenaar van de Belastingdienst een verschoningsrecht heeft met betrekking tot alle gegevens welke onder de fiscale geheimhoudingsplicht vallen. In deze beschikking heeft de Hoge Raad aangegeven dat de strekking van de fiscale geheimhoudingsplicht tot gevolg heeft dat de woorden ,,een ander” in die fiscale geheimhoudingsbepaling zien op ieder ander dan degene tot wie het in dat artikel vervatte verbod zich richt. De Hoge Raad is van mening dat de fiscale geheimhoudingsplicht zijn rechtvaardiging vindt in het algemeen belang. Het publiek (belastingplichtigen) moet niet van het verstrekken van inlichtingen en bescheiden aan de Belastingdienst worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de aan de Belastingdienst opgedragen taak. Daarnaast heeft de Hoge Raad aangegeven dat het er daarbij niet toe doet of een belastingplichtige om wiens gegevens het gaat toestemming heeft gegeven aan de Belastingdienst om die gegevens verder te verstrekken. Met andere woorden: het algemeen belang bij de fiscale geheimhouding prevaleert boven het individuele belang van betrokkenen.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 1997 (Vakstudie Nieuws 1997, blz.1296) blijkt echter dat de ambtenaar van de Belastingdienst die als getuige in een civiele procedure wordt opgeroepen niet het recht heeft zich bij voorbaat, dus nog zonder dat hem vragen zijn gesteld, op zijn verschoningsrecht te beroepen. Hij zal van vraag tot vraag moeten beoordelen of hij een antwoord kan geven zonder zijn fiscale geheimhoudingsplicht te schenden. Uit het arrest kan worden afgeleid dat bij vragen van organisatorische aard het verschoningsrecht niet snel met kans op succes kan worden ingeroepen. Een vraag van organisatorische aard is bijvoorbeeld de vraag óf er gesprekken tussen de Belastingdienst en de belastingadviseur hebben plaatsgevonden. Overigens geeft de Hoge Raad in dit arrest enige voorbeelden van onderwerpen die wél onder het verschoningsrecht vallen: de inhoud van de betrokken belastingaanslagen, de resultaten van enig door de Belastingdienst ter zake van die aanslagen ingesteld onderzoek en punten van geschil tussen belastingplichtige en de Belastingdienst.
Omdat het niet helder is op welke vragen wel en op welke vragen niet als getuige kan worden ingegaan dient elke in een civiele procedure als getuige opgeroepen ambtenaar van de Belastingdienst vòòraf contact op te nemen met de directie AFZ. Ook in de situatie dat het hoofd van een eenheid van mening is dat er een bijzonder belang is om geen beroep op het verschoningsrecht te doen en over te gaan tot het afleggen van een getuigenverklaring, legt hij de zaak voor aan AFZ. Opmerking verdient dat bij een civiele procedure in het kader van de uitvoering van de Invorderingswet 1990(bijvoorbeeld op grond van artikel 49 Invorderingswet) een beroep op dat verschoningsrecht niet aan de orde kan zijn. Voor een dergelijke procedure geldt dat er sprake is van uitvoering van Invorderingswet 1990, zodat het afleggen van een getuigenverklaring valt onder de uitvoering van die wet.
6.2.4. Bij een oproep om als getuige/deskundige in het buitenland te verschijnen dient contact te worden opgenomen met de Directie AFZ, afdeling Wederzijdse Bijstand (zie onder meer hoofdstuk 3.2.6. van het Voorschrift Wederzijdse Bijstand Douane). Daarin is aangegeven hoe in de verschillende voorkomende situaties moet worden gehandeld.
6.2.2. In strafzaken die enkel het gevolg zijn van overtredingen van de belastingwetgeving of een andere wet waarvoor ambtenaren van de Belastingdienst bevoegd zijn (zie het boekwerk Niet-Fiscale Douanevoorschriften) geldt dat het afleggen van een getuigenis valt onder de uitvoering van die wet. De ambtenaar kan zich niet verschonen en kan zonder ontheffing een getuigenverklaring afleggen.
Bij oproeping als getuige of deskundige in een strafzaak of administratiefrechtelijke zaak die niet alleen het gevolg is van een overtreding van de belastingwetgeving of een andere wet waarvoor de Belastingdienst bevoegd is, beslist de contactambtenaar of de ambtenaar zich al dan niet moet beroepen op zijn verschoningsrecht. In het geval een FIOD-medewerker als getuige of deskundige wordt opgeroepen beslist het hoofd van de desbetreffende FIOD-vestiging.
Opmerking verdient in dit verband dat geen beroep op het verschoningsrecht moet worden gedaan als het een zaak betreft waarvan ingevolge het bepaalde in hoofdstuk 6.3aangifte is gedaan.
6.2.3. Door de Hoge Raad is in 1991 (beschikking van 8 november 1991, NJ 1992, 277) uitgemaakt dat een ambtenaar van de Belastingdienst een verschoningsrecht heeft met betrekking tot alle gegevens welke onder de fiscale geheimhoudingsplicht vallen. In deze beschikking heeft de Hoge Raad aangegeven dat de strekking van de fiscale geheimhoudingsplicht tot gevolg heeft dat de woorden ,,een ander” in die fiscale geheimhoudingsbepaling zien op ieder ander dan degene tot wie het in dat artikel vervatte verbod zich richt. De Hoge Raad is van mening dat de fiscale geheimhoudingsplicht zijn rechtvaardiging vindt in het algemeen belang. Het publiek (belastingplichtigen) moet niet van het verstrekken van inlichtingen en bescheiden aan de Belastingdienst worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de aan de Belastingdienst opgedragen taak. Daarnaast heeft de Hoge Raad aangegeven dat het er daarbij niet toe doet of een belastingplichtige om wiens gegevens het gaat toestemming heeft gegeven aan de Belastingdienst om die gegevens verder te verstrekken. Met andere woorden: het algemeen belang bij de fiscale geheimhouding prevaleert boven het individuele belang van betrokkenen.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 1997 (Vakstudie Nieuws 1997, blz.1296) blijkt echter dat de ambtenaar van de Belastingdienst die als getuige in een civiele procedure wordt opgeroepen niet het recht heeft zich bij voorbaat, dus nog zonder dat hem vragen zijn gesteld, op zijn verschoningsrecht te beroepen. Hij zal van vraag tot vraag moeten beoordelen of hij een antwoord kan geven zonder zijn fiscale geheimhoudingsplicht te schenden. Uit het arrest kan worden afgeleid dat bij vragen van organisatorische aard het verschoningsrecht niet snel met kans op succes kan worden ingeroepen. Een vraag van organisatorische aard is bijvoorbeeld de vraag óf er gesprekken tussen de Belastingdienst en de belastingadviseur hebben plaatsgevonden. Overigens geeft de Hoge Raad in dit arrest enige voorbeelden van onderwerpen die wél onder het verschoningsrecht vallen: de inhoud van de betrokken belastingaanslagen, de resultaten van enig door de Belastingdienst ter zake van die aanslagen ingesteld onderzoek en punten van geschil tussen belastingplichtige en de Belastingdienst.
Omdat het niet helder is op welke vragen wel en op welke vragen niet als getuige kan worden ingegaan dient elke in een civiele procedure als getuige opgeroepen ambtenaar van de Belastingdienst vòòraf contact op te nemen met de directie AFZ. Ook in de situatie dat het hoofd van een eenheid van mening is dat er een bijzonder belang is om geen beroep op het verschoningsrecht te doen en over te gaan tot het afleggen van een getuigenverklaring, legt hij de zaak voor aan AFZ. Opmerking verdient dat bij een civiele procedure in het kader van de uitvoering van de Invorderingswet 1990(bijvoorbeeld op grond van artikel 49 Invorderingswet) een beroep op dat verschoningsrecht niet aan de orde kan zijn. Voor een dergelijke procedure geldt dat er sprake is van uitvoering van Invorderingswet 1990, zodat het afleggen van een getuigenverklaring valt onder de uitvoering van die wet.
6.2.4. Bij een oproep om als getuige/deskundige in het buitenland te verschijnen dient contact te worden opgenomen met de Directie AFZ, afdeling Wederzijdse Bijstand (zie onder meer hoofdstuk 3.2.6. van het Voorschrift Wederzijdse Bijstand Douane). Daarin is aangegeven hoe in de verschillende voorkomende situaties moet worden gehandeld.