BWBR0009230
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel § 33
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998
1. De inspecteur zendt aan de houder van een motorrijtuig met betrekking tot een bepaald tijdvak een rekening met daarop de voor dat tijdvak verschuldigde belasting, alsmede een datum waarop het bedrag uiterlijk moet zijn voldaan. Indien het bedrag niet uiterlijk op die datum is voldaan, is sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR.
2. Voor de hoogte van de verzuimboete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, respectievelijk vierde/volgend verzuim. Van een tweede, derde respectievelijk vierde/volgend verzuim is sprake indien belanghebbende in de periode van twee jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, reeds eerder in verzuim is geweest.
3. In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur geen boete op. De inspecteur zendt belanghebbende daarvan een mededeling. Bij een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van € 22. Bij een derde verzuim legt hij een boete van € 45 op. Bij een vierde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van € 113. Indien het aldus berekende bedrag hoger is dan het bedrag van de niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting, wordt de verzuimboete vastgesteld op het laatstbedoelde bedrag.
4. Het aantal verzuimen wordt gerekend per houder als bedoeld in de artikelen 7, 8of 9 van de Wet MB 1994.
5. Indien voor hetzelfde tijdvak meer dan één rekening is verzonden, wordt het verzuim per rekening bepaald.
6. Verzuimen als bedoeld in de paragrafen 34en 35 van dit besluitworden niet meegerekend.
7. Indien het bedrag van de verschuldigde belasting € 5 of minder bedraagt, legt de inspecteur geen verzuimboete op. Het verzuim telt niet mee in de verzuimenreeks.
8. Ingeval op grond van artikel 4a, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling MB 1994 de vergunning voor het betalen per maand van de belasting is geëindigd of door de inspecteur is ingetrokken, wordt op grond van artikel 20 van de AWReen naheffingsaanslag voor de resterende belastingschuld over het lopende tijdvak opgelegd. Indien het intrekken van de vergunning zijn oorzaak vindt in het niet aan de voorwaarden van de vergunning hebben voldaan door de belastingplichtige, legt de inspecteur een verzuimboete op als bedoeld in de voorgaande leden van deze paragraaf.
Indien de vergunning op verzoek van belanghebbende vervalt en op grond van artikel 20 van de AWReen naheffingsaanslag voor de resterende belastingschuld over het lopende tijdvak wordt opgelegd, legt de inspecteur geen verzuimboete op.
2. Voor de hoogte van de verzuimboete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, respectievelijk vierde/volgend verzuim. Van een tweede, derde respectievelijk vierde/volgend verzuim is sprake indien belanghebbende in de periode van twee jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, reeds eerder in verzuim is geweest.
3. In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur geen boete op. De inspecteur zendt belanghebbende daarvan een mededeling. Bij een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van € 22. Bij een derde verzuim legt hij een boete van € 45 op. Bij een vierde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van € 113. Indien het aldus berekende bedrag hoger is dan het bedrag van de niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting, wordt de verzuimboete vastgesteld op het laatstbedoelde bedrag.
4. Het aantal verzuimen wordt gerekend per houder als bedoeld in de artikelen 7, 8of 9 van de Wet MB 1994.
5. Indien voor hetzelfde tijdvak meer dan één rekening is verzonden, wordt het verzuim per rekening bepaald.
6. Verzuimen als bedoeld in de paragrafen 34en 35 van dit besluitworden niet meegerekend.
7. Indien het bedrag van de verschuldigde belasting € 5 of minder bedraagt, legt de inspecteur geen verzuimboete op. Het verzuim telt niet mee in de verzuimenreeks.
8. Ingeval op grond van artikel 4a, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling MB 1994 de vergunning voor het betalen per maand van de belasting is geëindigd of door de inspecteur is ingetrokken, wordt op grond van artikel 20 van de AWReen naheffingsaanslag voor de resterende belastingschuld over het lopende tijdvak opgelegd. Indien het intrekken van de vergunning zijn oorzaak vindt in het niet aan de voorwaarden van de vergunning hebben voldaan door de belastingplichtige, legt de inspecteur een verzuimboete op als bedoeld in de voorgaande leden van deze paragraaf.
Indien de vergunning op verzoek van belanghebbende vervalt en op grond van artikel 20 van de AWReen naheffingsaanslag voor de resterende belastingschuld over het lopende tijdvak wordt opgelegd, legt de inspecteur geen verzuimboete op.