BWBR0009230
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel § 24a
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998
1. Indien sprake is van een ‘vrijwillige verbetering’ in de zin van paragraaf 28, derde lid, van dit besluit kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4.537.
2. De inspecteur legt geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering alsnog wordt betaald minder bedraagt dan € 5.000. Ook legt de inspecteur geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering wordt betaald € 5.000 of meer maar minder dan € 12.500 bedraagt en het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering wordt betaald minder dan 20 procent bedraagt van het bedrag van de belasting die over het tijdvak/de tijdvakken waarop de vrijwillige verbetering betrekking heeft, is betaald.
3. Paragraaf 24, vierde lidvan dit besluit is van overeenkomstige toepassing.
Toelichting
Paragraaf 24a van het besluit geeft inhoud aan de wijze waarop de verzuimboete wordt berekend ingeval van een zogenaamde suppletie-aangifte voor belastingen die op aangifte dienen te worden betaald. De werkingssfeer van deze paragraaf is beperkt tot die situaties waarin belanghebbende abusievelijk in eerste instantie de op aangifte te betalen belasting te laag heeft berekend, aangegeven en betaald en conform een vrijwillige verbetering van de aangifte het te weinig betaalde alsnog betaalt.
Op grond van paragraaf 28, derde lid, van het BBBB 1998 wordt ter zake van een betalingsverzuim geen vergrijpboete opgelegd als belanghebbende een vrijwillige verbetering indient. Van een vrijwillige verbetering is sprake als belanghebbende vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald. Op grond van het eerste lid van deze paragraaf kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4.537. In het tweede lid van deze paragraaf wordt beschreven in welke situaties de inspecteur geen verzuimboete oplegt. Het betreft allereerst situaties waarin de vrijwillige verbetering minder dan € 5.000 bedraagt. Daarnaast wordt ook geen boete opgelegd in gevallen waarin de vrijwillige verbetering weliswaar € 5.000 of meer bedraagt, maar minder dan 20 procent van het bedrag van de belasting die over het tijdvak of de tijdvakken waarop de vrijwillige verbetering betrekking heeft, is afgedragen of voldaan. Deze procentuele regeling is van toepassing tot een vrijwillige verbetering van maximaal € 12.500, zodat voor een suppletie-aangifte van meer dan € 12.500 wel tot het opleggen van een verzuimboete zal worden overgegaan. Voor de toepassing van deze paragraaf is het uitgangspunt steeds dat de suppletie-aangifte alsnog leidt tot een juiste afdracht of voldoening van verschuldigde belasting.
De grensbedragen van het tweede lid van deze paragraaf worden toegepast op de tijdvakken die in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar vallen. Heeft de vrijwillige verbetering betrekking op tijdvakken die in meer kalenderjaren of (gebroken) boekjaren vallen, dan legt de inspecteur per kalenderjaar of (gebroken) boekjaar een verzuimboete op. Dit betekent dat als belanghebbende een vrijwillige verbetering indient over twee opeenvolgende kalenderjaren van € 20.000 de inspecteur nagaat welk deel van deze vrijwillige verbetering betrekking heeft op de tijdvakken die in het eerste kalenderjaar vallen en welk deel op tijdvakken die in het tweede kalenderjaar vallen. Ervan uitgaande dat de vrijwillige verbetering voor € 14.000 betrekking heeft op het eerste kalenderjaar en voor € 6.000 op het tweede kalenderjaar legt de inspecteur twee boetebeschikkingen op. Over het eerste kalenderjaar bedraagt de boete € 700 (paragraaf 24a, eerste lid, van het BBBB 1998). Over het tweede kalenderjaar bedraagt de boete € 300 als het bedrag van de vrijwillige verbetering 20 procent of meer bedraagt van het bedrag van de belasting die over de tijdvakken die in het tweede kalenderjaar vallen is betaald (paragraaf 24a, tweede lid, van het BBBB 1998). Heeft de vrijwillige verbetering betrekking heeft op een kortere periode dan een kalender jaar of (gebroken) boekjaar, dan berekent de inspecteur de verzuimboete uitgaande van die kortere periode.
Onder te weinig betaalde belasting wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan niet betaalde belasting als gevolg van niet aangegeven of te laag aangegeven belasting, dan wel niet betaalde belasting als gevolg van het feit dat belanghebbende ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.
De inspecteur kan in het kader van het normale betalingspatroon niet zonder meer op de hoogte komen van een vrijwillige verbetering. Daarom wordt, in tegenstelling tot de in paragraaf 23van het besluit bedoelde verzuimen, geen verzuimenreeks gehanteerd.
Voor het opleggen van de in paragraaf 24a van het besluit omschreven verzuimboeten is gekozen voor een systematiek waarbij de verzuimboete wordt berekend uitgaande van de in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting.
2. De inspecteur legt geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering alsnog wordt betaald minder bedraagt dan € 5.000. Ook legt de inspecteur geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering wordt betaald € 5.000 of meer maar minder dan € 12.500 bedraagt en het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering wordt betaald minder dan 20 procent bedraagt van het bedrag van de belasting die over het tijdvak/de tijdvakken waarop de vrijwillige verbetering betrekking heeft, is betaald.
3. Paragraaf 24, vierde lidvan dit besluit is van overeenkomstige toepassing.
Toelichting
Paragraaf 24a van het besluit geeft inhoud aan de wijze waarop de verzuimboete wordt berekend ingeval van een zogenaamde suppletie-aangifte voor belastingen die op aangifte dienen te worden betaald. De werkingssfeer van deze paragraaf is beperkt tot die situaties waarin belanghebbende abusievelijk in eerste instantie de op aangifte te betalen belasting te laag heeft berekend, aangegeven en betaald en conform een vrijwillige verbetering van de aangifte het te weinig betaalde alsnog betaalt.
Op grond van paragraaf 28, derde lid, van het BBBB 1998 wordt ter zake van een betalingsverzuim geen vergrijpboete opgelegd als belanghebbende een vrijwillige verbetering indient. Van een vrijwillige verbetering is sprake als belanghebbende vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald. Op grond van het eerste lid van deze paragraaf kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4.537. In het tweede lid van deze paragraaf wordt beschreven in welke situaties de inspecteur geen verzuimboete oplegt. Het betreft allereerst situaties waarin de vrijwillige verbetering minder dan € 5.000 bedraagt. Daarnaast wordt ook geen boete opgelegd in gevallen waarin de vrijwillige verbetering weliswaar € 5.000 of meer bedraagt, maar minder dan 20 procent van het bedrag van de belasting die over het tijdvak of de tijdvakken waarop de vrijwillige verbetering betrekking heeft, is afgedragen of voldaan. Deze procentuele regeling is van toepassing tot een vrijwillige verbetering van maximaal € 12.500, zodat voor een suppletie-aangifte van meer dan € 12.500 wel tot het opleggen van een verzuimboete zal worden overgegaan. Voor de toepassing van deze paragraaf is het uitgangspunt steeds dat de suppletie-aangifte alsnog leidt tot een juiste afdracht of voldoening van verschuldigde belasting.
De grensbedragen van het tweede lid van deze paragraaf worden toegepast op de tijdvakken die in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar vallen. Heeft de vrijwillige verbetering betrekking op tijdvakken die in meer kalenderjaren of (gebroken) boekjaren vallen, dan legt de inspecteur per kalenderjaar of (gebroken) boekjaar een verzuimboete op. Dit betekent dat als belanghebbende een vrijwillige verbetering indient over twee opeenvolgende kalenderjaren van € 20.000 de inspecteur nagaat welk deel van deze vrijwillige verbetering betrekking heeft op de tijdvakken die in het eerste kalenderjaar vallen en welk deel op tijdvakken die in het tweede kalenderjaar vallen. Ervan uitgaande dat de vrijwillige verbetering voor € 14.000 betrekking heeft op het eerste kalenderjaar en voor € 6.000 op het tweede kalenderjaar legt de inspecteur twee boetebeschikkingen op. Over het eerste kalenderjaar bedraagt de boete € 700 (paragraaf 24a, eerste lid, van het BBBB 1998). Over het tweede kalenderjaar bedraagt de boete € 300 als het bedrag van de vrijwillige verbetering 20 procent of meer bedraagt van het bedrag van de belasting die over de tijdvakken die in het tweede kalenderjaar vallen is betaald (paragraaf 24a, tweede lid, van het BBBB 1998). Heeft de vrijwillige verbetering betrekking heeft op een kortere periode dan een kalender jaar of (gebroken) boekjaar, dan berekent de inspecteur de verzuimboete uitgaande van die kortere periode.
Onder te weinig betaalde belasting wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan niet betaalde belasting als gevolg van niet aangegeven of te laag aangegeven belasting, dan wel niet betaalde belasting als gevolg van het feit dat belanghebbende ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.
De inspecteur kan in het kader van het normale betalingspatroon niet zonder meer op de hoogte komen van een vrijwillige verbetering. Daarom wordt, in tegenstelling tot de in paragraaf 23van het besluit bedoelde verzuimen, geen verzuimenreeks gehanteerd.
Voor het opleggen van de in paragraaf 24a van het besluit omschreven verzuimboeten is gekozen voor een systematiek waarbij de verzuimboete wordt berekend uitgaande van de in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting.