BWBR0009230
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel § 21
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998
1. Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een belasting (premie volksverzekeringen en de premie ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigendaaronder begrepen) die bij wege van aanslag wordt geheven, wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, vierde en vijfde/volgend verzuim.
2. Van een tweede respectievelijk derde, vierde, vijfde/volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vijf belastingjaren éénmaal respectievelijk tweemaal, driemaal of meer in verzuim is geweest.
3. Wordt de aanslag op een positief bedrag vastgesteld, dan legt de inspecteur in geval van een eerste, tweede, derde, vierde of vijfde/volgend verzuim een boete op van respectievelijk € 113, € 340, € 567, € 794 of € 1134. Wordt de aanslag op nihil of op een negatief bedrag vastgesteld dan legt de inspecteur een boete op van respectievelijk € 22, € 68, € 113, € 158 of € 226. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder een op een positief bedrag vastgestelde aanslag verstaan een aanslag waarvan het bedrag na verrekening van voorheffingen en de tot het moment van indiening van de aangifte opgelegde voorlopige aanslagen positief is. Onder een op nihil of een op een negatief bedrag vastgestelde aanslag wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan een aanslag waarvan het bedrag na verrekening van voorheffingen en de tot het moment van indiening van de aangifte opgelegde voorlopige aanslagen nihil of negatief is.
4. De verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel. Om te bepalen of sprake is van een eerste, tweede, derde, vierde of vijfde/volgend verzuim worden verzuimboeten die gelijktijdig met een nihilaanslag of een op een negatief bedrag vastgestelde aanslag zijn opgelegd en verzuimboeten die gelijktijdig met een op een positief bedrag vastgestelde aanslag zijn opgelegd op gelijke voet meegeteld. Er wordt hierbij evenmin onderscheid gemaakt tussen een verzuim wegens het niet doen van aangifte en een verzuim wegens het niet tijdig doen van aangifte. Indien sprake is van avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.
5. De voorgaande leden gelden niet ten aanzien van de rechten van successie, schenking en overgang. Indien voor het recht van successie niet of niet tijdig aangifte wordt gedaan, legt de inspecteur een verzuimboete op van 5 procent van het door degene die in verzuim is verschuldigde successierecht na verrekening van tot het moment van indiening van de aangifte opgelegde voorlopige aanslagen, met een minimum van € 11 per erfgenaam. Dit geldt ook indien de erfgenamen op de voet van artikel 39 van de Successiewetbij één aangiftebiljet aangifte hebben gedaan. De verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte bedraagt maximaal € 453 per aangiftebiljet. Het bedrag van de verzuimboete wordt naar evenredigheid van het door iedere erfgenaam over de totale verkrijging verschuldigde successierecht over de erfgenamen verdeeld. Indien de aangifte niet wordt gedaan, wordt een verzuimboete opgelegd van maximaal € 1134 per uitgereikt aangiftebiljet.
6. Voor het recht van schenking geldt hetgeen is bepaald ten aanzien van het recht van successie, met dien verstande dat indien het aangiftebiljet is uitgereikt aan de schenker het rechtens niet mogelijk is hem een verzuimboete op te leggen.
7. Voor wat betreft het recht van overgang geldt hetgeen is bepaald ten aanzien van het recht van successie respectievelijk het recht van schenking.
8. Een ingevolge artikel 67a van de AWRten aanzien van de rechten van successie, schenking en overgang opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op het in het vijfde lid genoemde minimum bedrag.
9. Indien bij vermindering of teruggaaf van belasting van een op een positief bedrag vastgestelde aanslag, anders dan door verliesverrekening, middeling, of toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964, de aanslag op nihil of op een negatief bedrag wordt vastgesteld, wordt een ingevolge de eerste volzin van het derde lid van deze paragraaf opgelegde verzuimboete verminderd tot het in de tweede volzin van het derde lid voor het betreffende verzuim vermelde bedrag.
2. Van een tweede respectievelijk derde, vierde, vijfde/volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vijf belastingjaren éénmaal respectievelijk tweemaal, driemaal of meer in verzuim is geweest.
3. Wordt de aanslag op een positief bedrag vastgesteld, dan legt de inspecteur in geval van een eerste, tweede, derde, vierde of vijfde/volgend verzuim een boete op van respectievelijk € 113, € 340, € 567, € 794 of € 1134. Wordt de aanslag op nihil of op een negatief bedrag vastgesteld dan legt de inspecteur een boete op van respectievelijk € 22, € 68, € 113, € 158 of € 226. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder een op een positief bedrag vastgestelde aanslag verstaan een aanslag waarvan het bedrag na verrekening van voorheffingen en de tot het moment van indiening van de aangifte opgelegde voorlopige aanslagen positief is. Onder een op nihil of een op een negatief bedrag vastgestelde aanslag wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan een aanslag waarvan het bedrag na verrekening van voorheffingen en de tot het moment van indiening van de aangifte opgelegde voorlopige aanslagen nihil of negatief is.
4. De verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel. Om te bepalen of sprake is van een eerste, tweede, derde, vierde of vijfde/volgend verzuim worden verzuimboeten die gelijktijdig met een nihilaanslag of een op een negatief bedrag vastgestelde aanslag zijn opgelegd en verzuimboeten die gelijktijdig met een op een positief bedrag vastgestelde aanslag zijn opgelegd op gelijke voet meegeteld. Er wordt hierbij evenmin onderscheid gemaakt tussen een verzuim wegens het niet doen van aangifte en een verzuim wegens het niet tijdig doen van aangifte. Indien sprake is van avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.
5. De voorgaande leden gelden niet ten aanzien van de rechten van successie, schenking en overgang. Indien voor het recht van successie niet of niet tijdig aangifte wordt gedaan, legt de inspecteur een verzuimboete op van 5 procent van het door degene die in verzuim is verschuldigde successierecht na verrekening van tot het moment van indiening van de aangifte opgelegde voorlopige aanslagen, met een minimum van € 11 per erfgenaam. Dit geldt ook indien de erfgenamen op de voet van artikel 39 van de Successiewetbij één aangiftebiljet aangifte hebben gedaan. De verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte bedraagt maximaal € 453 per aangiftebiljet. Het bedrag van de verzuimboete wordt naar evenredigheid van het door iedere erfgenaam over de totale verkrijging verschuldigde successierecht over de erfgenamen verdeeld. Indien de aangifte niet wordt gedaan, wordt een verzuimboete opgelegd van maximaal € 1134 per uitgereikt aangiftebiljet.
6. Voor het recht van schenking geldt hetgeen is bepaald ten aanzien van het recht van successie, met dien verstande dat indien het aangiftebiljet is uitgereikt aan de schenker het rechtens niet mogelijk is hem een verzuimboete op te leggen.
7. Voor wat betreft het recht van overgang geldt hetgeen is bepaald ten aanzien van het recht van successie respectievelijk het recht van schenking.
8. Een ingevolge artikel 67a van de AWRten aanzien van de rechten van successie, schenking en overgang opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op het in het vijfde lid genoemde minimum bedrag.
9. Indien bij vermindering of teruggaaf van belasting van een op een positief bedrag vastgestelde aanslag, anders dan door verliesverrekening, middeling, of toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964, de aanslag op nihil of op een negatief bedrag wordt vastgesteld, wordt een ingevolge de eerste volzin van het derde lid van deze paragraaf opgelegde verzuimboete verminderd tot het in de tweede volzin van het derde lid voor het betreffende verzuim vermelde bedrag.