BWBR0007656
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 12
Regeling hulpmiddelen 1996
1. De in artikel 2, eerste lid, onder f, bedoelde middelen zijn:
a. brillenglazen, waaronder filterglazen met of zonder visuscorrigerende werking;
b. contactlenzen;
c. bandagelenzen zonder visuscorrigerende werking;
d. bijzondere optische hulpmiddelen, bestemd voor rechtstreekse waarneming, met inbegrip van montuur, statief of verlichting indien deze met het hulpmiddel één geheel vormen.
2. Aanspraak op middelen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, bestaat slechts indien een indicatie bestaat als vermeld in bijlage 2, onder I, van deze regeling en de aanschaf plaatsvindt binnen 12 maanden na een eerdere aanschaf van deze hulpmiddelen.
3. Aanspraak op een middel als bedoeld in het eerste lid, onder c, bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 2, onder II, van deze regeling.
4. Aanspraak op een middel als bedoeld in het eerste lid, onder d, bestaat indien de verzekerde een dusdanig verlies van gezichtsvermogen heeft dat redelijkerwijs niet kan worden volstaan met een middel als bedoeld in het eerste lid, onder a of b.
a. brillenglazen, waaronder filterglazen met of zonder visuscorrigerende werking;
b. contactlenzen;
c. bandagelenzen zonder visuscorrigerende werking;
d. bijzondere optische hulpmiddelen, bestemd voor rechtstreekse waarneming, met inbegrip van montuur, statief of verlichting indien deze met het hulpmiddel één geheel vormen.
2. Aanspraak op middelen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, bestaat slechts indien een indicatie bestaat als vermeld in bijlage 2, onder I, van deze regeling en de aanschaf plaatsvindt binnen 12 maanden na een eerdere aanschaf van deze hulpmiddelen.
3. Aanspraak op een middel als bedoeld in het eerste lid, onder c, bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 2, onder II, van deze regeling.
4. Aanspraak op een middel als bedoeld in het eerste lid, onder d, bestaat indien de verzekerde een dusdanig verlies van gezichtsvermogen heeft dat redelijkerwijs niet kan worden volstaan met een middel als bedoeld in het eerste lid, onder a of b.