BWBR0007656
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 2
Regeling hulpmiddelen 1996
1. De aanspraak op hulpmiddelen omvat de verschaffing van een te allen tijde adequaat functionerend hulpmiddel, bestaande uit:
a. prothesen voor schouder, arm, hand, been of voet, als aangegeven in artikel 7;
b. mammaprothesen als aangegeven in artikel 8;
c. gelaatsprothesen als aangegeven in artikel 9;
d. oogprothesen als aangegeven in artikel 10;
e. orthesen voor romp, arm, been, voet, hoofd of hals als aangegeven in artikel 11;
f. gezichtshulpmiddelen als aangegeven in artikel 12;
g. gehoorhulpmiddelen als aangegeven in artikel 13;
h. verzorgingsmiddelen als aangegeven in artikel 14;
i. hulpmiddelen voor anticonceptionele doeleinden als aangegeven in artikel 15;
j. eenvoudige hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen als aangegeven in artikel 16;
k. pruiken als aangegeven in artikel 17;
l. injectiespuiten en toebehoren als aangegeven in artikel 18;
m. uitwendige hulpmiddelen, te gebruiken bij het langdurig compenseren van het functieverlies van aderen bij het transport van bloed en het functieverlies van lymfevaten bij het transport van lymfe;
n. hulpmiddelen bij diabetes als aangegeven in artikel 20;
o. apparatuur voor positieve uitademingsdruk als aangegeven in artikel 21;
p. draagbare, uitwendige infuuspompen met toebehoren als aangegeven in artikel 22;
q. schoenvoorzieningen, niet zijnde orthesen als aangegeven in artikel 23;
r. hulpmiddelen voor het toedienen van voeding als aangegeven in artikel 24;
s. allergeenvrije en stofdichte hoezen, als aangegeven in artikel 25;
t. hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en signalering als aangegeven in artikel 26;
u. prothetische voorzieningen voor de onder- of bovenkaak als aangegeven in artikel 26a;
v. zuurstofapparaten dan wel zuurstofconcentratoren met toebehoren;
w. longvibrators;
x. vernevelaars met toebehoren;
y. beeldschermloepen;
z. uitwendige elektrostimulators tegen chronische pijn met toebehoren;
aa. hulpmiddelen voor continue positieve luchtdruk tijdens het ademen (CPAP-apparatuur) met toebehoren;
bb. solo-apparatuur met toebehoren;
cc. tactiel-leesapparatuur met toebehoren;
dd. vervanging van hoortoestellen die kunnen worden aangesloten op een te implanteren beengeleider (BAHA-hoortoestel) als aangegeven in artikel 29, vierde lid;
ee. hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen als aangegeven in artikel 26b;
ff. inrichtingselementen van woningen als aangegeven in artikel 26c.
2. De aanspraak op hulpmiddelen omvat in voorkomende gevallen wijziging of herstel van hulpmiddelen.
3. Het ziekenfonds bepaalt of middelen in eigendom dan wel in bruikleen worden verschaft.
4. Indien het ziekenfonds middelen in bruikleen verschaft, zijn de artikelen 7tot en met 26avan overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 11a, vierde lid, 13, vijfde, zesde en zevende lid, 17, derde lid, 23, vierde en vijfde lid, en 26, zevende lid.
a. prothesen voor schouder, arm, hand, been of voet, als aangegeven in artikel 7;
b. mammaprothesen als aangegeven in artikel 8;
c. gelaatsprothesen als aangegeven in artikel 9;
d. oogprothesen als aangegeven in artikel 10;
e. orthesen voor romp, arm, been, voet, hoofd of hals als aangegeven in artikel 11;
f. gezichtshulpmiddelen als aangegeven in artikel 12;
g. gehoorhulpmiddelen als aangegeven in artikel 13;
h. verzorgingsmiddelen als aangegeven in artikel 14;
i. hulpmiddelen voor anticonceptionele doeleinden als aangegeven in artikel 15;
j. eenvoudige hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen als aangegeven in artikel 16;
k. pruiken als aangegeven in artikel 17;
l. injectiespuiten en toebehoren als aangegeven in artikel 18;
m. uitwendige hulpmiddelen, te gebruiken bij het langdurig compenseren van het functieverlies van aderen bij het transport van bloed en het functieverlies van lymfevaten bij het transport van lymfe;
n. hulpmiddelen bij diabetes als aangegeven in artikel 20;
o. apparatuur voor positieve uitademingsdruk als aangegeven in artikel 21;
p. draagbare, uitwendige infuuspompen met toebehoren als aangegeven in artikel 22;
q. schoenvoorzieningen, niet zijnde orthesen als aangegeven in artikel 23;
r. hulpmiddelen voor het toedienen van voeding als aangegeven in artikel 24;
s. allergeenvrije en stofdichte hoezen, als aangegeven in artikel 25;
t. hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en signalering als aangegeven in artikel 26;
u. prothetische voorzieningen voor de onder- of bovenkaak als aangegeven in artikel 26a;
v. zuurstofapparaten dan wel zuurstofconcentratoren met toebehoren;
w. longvibrators;
x. vernevelaars met toebehoren;
y. beeldschermloepen;
z. uitwendige elektrostimulators tegen chronische pijn met toebehoren;
aa. hulpmiddelen voor continue positieve luchtdruk tijdens het ademen (CPAP-apparatuur) met toebehoren;
bb. solo-apparatuur met toebehoren;
cc. tactiel-leesapparatuur met toebehoren;
dd. vervanging van hoortoestellen die kunnen worden aangesloten op een te implanteren beengeleider (BAHA-hoortoestel) als aangegeven in artikel 29, vierde lid;
ee. hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen als aangegeven in artikel 26b;
ff. inrichtingselementen van woningen als aangegeven in artikel 26c.
2. De aanspraak op hulpmiddelen omvat in voorkomende gevallen wijziging of herstel van hulpmiddelen.
3. Het ziekenfonds bepaalt of middelen in eigendom dan wel in bruikleen worden verschaft.
4. Indien het ziekenfonds middelen in bruikleen verschaft, zijn de artikelen 7tot en met 26avan overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 11a, vierde lid, 13, vijfde, zesde en zevende lid, 17, derde lid, 23, vierde en vijfde lid, en 26, zevende lid.