BWBR0007656
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 16
Regeling hulpmiddelen 1996
1. De in artikel 2, onder j, bedoelde middelen zijn:
a. krukken;
b. loophulpen met drie of vier poten;
c. looprekken;
d. rollators;
e. loopwagens;
f. serveerwagens;
g. blindentaststokken.
2. Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onder a tot en met e, bedoelde middelen indien de verzekerde hier langdurig op is aangewezen om te kunnen lopen, niet kan worden volstaan met een eenvoudiger hulpmiddel en indien sprake is van één van de volgende indicaties:
a. evenwichtsstoornissen,
b. functiestoornissen van de onderste extremiteiten, al dan niet gepaard gaande met defecten, of
c. stoornissen in het uithoudingsvermogen dan wel vormen van lichamelijke zwakte, waarbij de verschaffing van een loophulpmiddel strekt tot behoud van de zelfredzaamheid of ter voorkoming van opname in een instelling.
3. Aanspraak bestaat op het hulpmiddel bedoeld in het eerste lid, onder f, indien de verzekerde hier langdurig op is aangewezen en niet volstaan kan worden met een eenvoudiger hulpmiddel en indien sprake is van een hand- of armfunctiestoornis, tenzij er tevens sprake is van een stoornis als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met c.
a. krukken;
b. loophulpen met drie of vier poten;
c. looprekken;
d. rollators;
e. loopwagens;
f. serveerwagens;
g. blindentaststokken.
2. Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onder a tot en met e, bedoelde middelen indien de verzekerde hier langdurig op is aangewezen om te kunnen lopen, niet kan worden volstaan met een eenvoudiger hulpmiddel en indien sprake is van één van de volgende indicaties:
a. evenwichtsstoornissen,
b. functiestoornissen van de onderste extremiteiten, al dan niet gepaard gaande met defecten, of
c. stoornissen in het uithoudingsvermogen dan wel vormen van lichamelijke zwakte, waarbij de verschaffing van een loophulpmiddel strekt tot behoud van de zelfredzaamheid of ter voorkoming van opname in een instelling.
3. Aanspraak bestaat op het hulpmiddel bedoeld in het eerste lid, onder f, indien de verzekerde hier langdurig op is aangewezen en niet volstaan kan worden met een eenvoudiger hulpmiddel en indien sprake is van een hand- of armfunctiestoornis, tenzij er tevens sprake is van een stoornis als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met c.