1. De in artikel 2, eerste lid, onder g, bedoelde middelen zijn:
a. electro-akoestische hoortoestellen voor persoonlijk gebruik, in gewone dan wel bijzondere uitvoering, bestemd om op of aan het menselijk lichaam te worden gebezigd ter verbetering van een gestoord gehoor, alsmede de zogenaamde gehoorlepels of gehoorslangen die het geluid via mechanische weg versterken, waarbij als bijzondere uitvoering van een electro-akoestisch hoortoestel wordt beschouwd een: cros-uitvoering;
bicros-uitvoering;
beengeleider-uitvoering;
uitvoering met één ingebouwde microfoon en twee aansluitingen;
uitvoering met één uitwendige microfoon en één aansluiting;
uitvoering met één ingebouwde microfoon, één uitwendige microfoon en één aansluiting;
cros-uitvoering;
bicros-uitvoering;
beengeleider-uitvoering;
uitvoering met één ingebouwde microfoon en twee aansluitingen;
uitvoering met één uitwendige microfoon en één aansluiting;
uitvoering met één ingebouwde microfoon, één uitwendige microfoon en één aansluiting;
b. ringleidingen, bestaande uit snoer en versterker met eventueel een tafelmicrofoon dan wel infraroodapparatuur of FM-apparatuur voor geluidsoverdracht, bestaande uit een ontvanger en een zender, al dan niet met inductiespoel of hoofdtelefoon, of in kinbeugel-uitvoering, eveneens met één tafelmicrofoon;
c. maskeerders ter behandeling van ernstig oorsuizen.
2. De aanspraak op de in het eerste lid, onder a, bedoelde middelen bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 3, onder I, van deze regeling en omvat mede de eerste verschaffing van de bij een toestel behorende batterijen of accu's, alsmede de verschaffing en vervanging van oorstukjes.
3. De aanspraak op de in het eerste lid, onder b, bedoelde middelen bestaat, indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 3, onder II, van deze regeling en omvat mede de eerste verschaffing van de bij infraroodapparatuur of FM-apparatuur behorende batterijen of accu’s.
4. De aanspraak op de in het eerste lid, onder c, bedoelde middelen omvat mede de eerste verschaffing van de bij een maskeerder behorende batterijen of accu's, alsmede de verschaffing en vervanging van oorstukjes.
5. Indien de aanschaffingskosten van een hoortoestel als bedoeld in het eerste lid, onder a, hoger zijn dan € 467 en een toestel voor de eerste keer wordt verstrekt, dan wel korter dan 6 jaar geleden aan de verzekerde is verstrekt, is de verzekerde van 16 jaar of ouder een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag.
6. Indien de aanschaffingskosten van een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onder a, hoger zijn dan € 558, en een toestel reeds tussen 6 en 7 jaren geleden aan de verzekerde is verstrekt, is de verzekerde van 16 jaar of ouder een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag.
7. Indien de aanschaffingskosten van een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onder a, hoger zijn dan € 648,50, en een toestel 7 jaren of langer geleden aan de verzekerde is verstrekt, is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag, met dien verstande dat voor een verzekerde van jonger dan zestien jaren de gebruiksduur van zeven jaren of langer geleden niet geldt.
8. Als sprake is van een hoortoestel in cros-, bicros- of beengeleideruitvoering, opgenomen in een brilmontuur, wordt het bedrag genoemd in het vijfde, zesde en zevende lid vermeerderd met € 60,50.