BWBR0007656
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 8
Regeling hulpmiddelen 1996
1. De in artikel 2, eerste lid, onder b, bedoelde middelen zijn de gebruiksklaar verkrijgbare mammaprothesen voor uitwendige toepassing.
2. Indien het gebruik van een in het eerste lid omschreven middel niet mogelijk dan wel redelijkerwijs niet verantwoord is, bestaat aanspraak op een ten behoeve van de verzekerde afzonderlijk vervaardigde mammaprothese.
3. Aanspraak op het in het eerste of tweede lid bedoelde middel bestaat, indien het gebruik ervan is aangewezen ter vervanging van een geheel of nagenoeg geheel ontbrekende borstklier.
4. Vervallen.
2. Indien het gebruik van een in het eerste lid omschreven middel niet mogelijk dan wel redelijkerwijs niet verantwoord is, bestaat aanspraak op een ten behoeve van de verzekerde afzonderlijk vervaardigde mammaprothese.
3. Aanspraak op het in het eerste of tweede lid bedoelde middel bestaat, indien het gebruik ervan is aangewezen ter vervanging van een geheel of nagenoeg geheel ontbrekende borstklier.
4. Vervallen.