BWBR0005775
Geldig vanaf 1993-01-01
Artikel 45
Luchtverkeersreglement
1. Met uitzondering van het gestelde in het tweede lid is het - tenzij noodzakelijk om op te stijgen van of te landen op een luchthaven, naderings- en vertrekprocedures alsmede luchtverkeerspatronen uit te voeren - verboden een VFR-vlucht uit te voeren beneden de volgende minimum vlieghoogtes:
a. boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen: tenminste 300 m (1000 voet) boven de hoogste hindernis, gelegen binnen een afstand van 600 m van het luchtvaartuig;
b. elders dan onder a aangegeven: tenminste 150 m (500 voet) boven de grond of het water, of wel zoveel hoger als door Onze Minister is bepaald.
2. Het eerste lid geldt niet, onder nader door Onze Minister te stellen regels, voor de volgende vluchten:
a. vluchten waarbij een sleep wordt aangehaakt of afgeworpen boven een luchthaven;
b. vluchten waarbij stoffen ter bevordering of ter bescherming van het milieu dan wel de land-, tuin- of bosbouw, te bestemder plaatse worden uitgeworpen;
c. vluchten waarbij naderingsprocedures buiten luchthavens beoefend worden boven nader door Onze Minister aan te wijzen gebieden;
d. vluchten met zweefvliegtuigen boven nader door Onze Minister aan te wijzen strand- en duingebieden.
3. Het eerste lid onder b geldt niet boven nader door Onze Minister aan te wijzen routes en gebieden.
4. Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Defensie kunnen vrijstellingen worden verleend van het in het eerste lid gestelde verbod. Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend.
5. Onze Minister en Onze Minister van Defensie kunnen ontheffingen verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
6. Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als bedoeld in het vijfde lid.
a. boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen: tenminste 300 m (1000 voet) boven de hoogste hindernis, gelegen binnen een afstand van 600 m van het luchtvaartuig;
b. elders dan onder a aangegeven: tenminste 150 m (500 voet) boven de grond of het water, of wel zoveel hoger als door Onze Minister is bepaald.
2. Het eerste lid geldt niet, onder nader door Onze Minister te stellen regels, voor de volgende vluchten:
a. vluchten waarbij een sleep wordt aangehaakt of afgeworpen boven een luchthaven;
b. vluchten waarbij stoffen ter bevordering of ter bescherming van het milieu dan wel de land-, tuin- of bosbouw, te bestemder plaatse worden uitgeworpen;
c. vluchten waarbij naderingsprocedures buiten luchthavens beoefend worden boven nader door Onze Minister aan te wijzen gebieden;
d. vluchten met zweefvliegtuigen boven nader door Onze Minister aan te wijzen strand- en duingebieden.
3. Het eerste lid onder b geldt niet boven nader door Onze Minister aan te wijzen routes en gebieden.
4. Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Defensie kunnen vrijstellingen worden verleend van het in het eerste lid gestelde verbod. Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend.
5. Onze Minister en Onze Minister van Defensie kunnen ontheffingen verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
6. Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als bedoeld in het vijfde lid.